06 maart 2026

Rechtbank: beroep op schrijnendheid beoordelen bij opvolgende aanvraag

Rechtbank: beroep op schrijnendheid beoordelen bij opvolgende aanvraag
De Immigratie- en Naturalisatiedienst moet bij een opvolgende asielaanvraag ook een beroep op schrijnende omstandigheden beoordelen, aldus een uitspraak van de Rechtbank Arnhem op 18 februari 2026.


De uitspraak heeft betrekking op een opvolgende asielaanvraag, waarin de rechtbank oordeelt dat de asielaanvraag en het verzoek om heroverweging terecht zijn afgewezen. De rechtbank stelt echter vast dat betrokkene de IND tevens heeft verzocht om te toetsen of zij in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd vanwege schrijnende omstandigheden.

De IND heeft daarover in de beschikking gesteld dat een dergelijke verblijfsvergunning slechts bij een éérste asielaanvraag ambtshalve kan worden verleend. In de beroepsprocedure heeft de IND de rechtbank vervolgens laten weten dat haar eerdere standpunt niet houdbaar is. De rechtbank leidt uit deze reactie af dat de IND ten onrechte niet heeft getoetst of betrokkene in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning vanwege schrijnende omstandigheden. De IND zal die beoordeling dus alsnog moeten maken.

De rechtbank ziet daarbij geen reden om het beroep aan te houden, zoals de IND had verzocht. De IND kon namelijk “desgevraagd niet aangeven hoe lang de behandeling van het beroep zou moeten worden aangehouden” en daarnaast had het de IND “al lange tijd duidelijk kunnen zijn dat zijn standpunt in het bestreden besluit niet houdbaar is”, gezien een brief van de minister van Asiel en Migratie aan de Tweede Kamer van 27 augustus 2025 over deze kwestie (zie rechtsoverweging 8).

Discretionaire bevoegdheid
Op 27 augustus 2025 oordeelde de Raad van State namelijk dat de discretionaire bevoegdheid van de minister, om in schrijnende gevallen een verblijfsvergunning te verlenen, nog steeds bestaat. De toenmalige staatssecretaris Harbers had deze bevoegdheid in mei 2019 overgedragen aan de IND en deze in het Vreemdelingenbesluit (dat is een ‘algemene maatregel van bestuur’, amvb) meteen beperkt tot de eerste asielprocedure. De Raad van State oordeelde vijf jaar later echter dat de discretionaire bevoegdheid een wettelijke bevoegdheid is en daarom niet middels een amvb kan worden afgeschaft; daarvoor is een wetswijziging nodig. Met andere woorden: de discretionaire bevoegdheid is juridisch gezien nooit afgeschaft!

Na deze uitspraak van de Raad van State liet minister Van Weel van Asiel en Migratie nog dezelfde dag in een brief aan de Tweede Kamer weten dat hij de bevoegdheid uit de politieke sfeer wilde blijven houden en daarom mandateerde aan de directeur-generaal van de IND. Wat de minister daarbij echter niet vermeldde was dat er ook ná de eerste asielprocedure nog een beroep op de discretionaire bevoegdheid gedaan kan worden.

In de zaak die op 22 januari 2026 op zitting kwam bij de Rechtbank Arnhem deed de advocaat dit beroep in een opvolgende asielaanvraag en dit moet dan uiteraard ook beoordeeld worden door de IND. In zaken waarbij iemand langdurig verblijf heeft en er meer schrijnende omstandigheden zijn, kan een advocaat dus ook in het kader van een opvolgende asielaanvraag een beroep doen op een reguliere verblijfsvergunning vanwege schrijnende omstandigheden.

 

Meer informatie:
De uitspraak van de Rechtbank Arnhem d.d. 18 februari 2026 met zaaknummer NL25.53656 [ECLI:NL:RBDHA:2026:3275] (download pdf-bestand, 7 pagina's)
Ons bericht over de uitspraak van de Raad van State d.d. 27 augustus 2025:
05-09-25  Raad van State: discretionaire bevoegdheid van de minister bestaat nog

Lees ook:
03-11-25  Rechtbank geeft vergunning aan vreemdeling met langdurig verblijf