Rechtbank Rotterdam: stelsel van opvang voor ongedocumenteerden is niet dekkend
De Landelijke Vreemdelingen Voorziening (LVV) startte in april 2019 in de steden Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Eindhoven en Groningen als een samenwerkingsproject tussen de rijksoverheid en deze vijf grote gemeenten. Het voornemen om dit pilotproject na drie jaar uit te rollen naar een landelijk dekkend netwerk werd niet gerealiseerd. In plaats daarvan beëindigde toenmalig minister Faber van Asiel en Migratie per 1 januari 2025 de financiering, omdat het kabinet niet langer verantwoordelijkheid voor de LVV wilde nemen. Sindsdien wordt er in meerdere steden geprocedeerd tegen de rijksoverheid vanwege het beëindigen van de opvang. Omdat gemeenten willen voorkomen dat kwetsbare mensen op straat belanden wordt de opvang ondertussen veelal als gemeentelijke bed-bad-brood-voorziening voortgezet.
De Rechtbank Rotterdam bepaalde op 24 april 2026 ten aanzien van 16 vreemdelingen dat, op basis van jurisprudentie van het Europese Comité voor Sociale Rechten (ECSR), het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en het Hof van Justitie van de EU (HvJ-EU), een vorm van onvoorwaardelijke basale opvang geboden moet worden aan vreemdelingen die niet meewerken aan hun vertrek, maar als gevolg daarvan dakloos zouden worden. De Rechtbank geeft daarbij aan dat het huidige stelsel van opvang voor ongedocumenteerde vreemdelingen niet dekkend is. Zo’n dekkend stelsel van opvang is wel nodig om schending te voorkomen van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de EU, waarin het verbod op een onmenselijke behandeling is neergelegd. Letterlijk zegt de rechtbank in overweging 13.6 hierover het volgende:
Concluderend overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder [de minister van Asiel en Migratie, red.] heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake kan zijn van schending van artikel 4 van het Handvest indien een vreemdeling in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt, waardoor hij niet in zijn elementaire basisbehoefte kan voorzien, als gevolg van zijn keuze om niet mee te werken aan terugkeer, ook als dit een voorwaarde is voor toegang tot opvang. Hieruit en uit de beslissing van het ECSR en het arrest Hunde volgt dat het stelsel zoals verweerder dat nu heeft (VBL, buitenschuldvergunning, artikel 64 Vw en artikel 10, tweede lid, Vw), dus zonder een vorm van onvoorwaardelijke opvang, geen volledig dekkend stelsel is. Er is een vorm van onvoorwaardelijke opvang nodig om in alle gevallen, vooral in gevallen van kwetsbare en niet zelfredzame vreemdelingen, een schending van artikel 4 van Handvest ten aanzien van niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen te voorkomen. Zo'n onvoorwaardelijke opvang hoeft niet gelijkwaardig te zijn aan de opvang in de LVV, zolang maar wordt voorzien in de meest elementaire levensbehoeften, dus: bed, bad en brood. Verder geldt dat verweerder niet op individuele basis heeft gemotiveerd dat er ten aanzien van ieder van eisers [de 16 vreemdelingen, red. ] geen schending van artikel 4 van het Handvest zal zijn. Gelet hierop en nu verweerder eisers geen vorm van onvoorwaardelijke opvang heeft aangeboden, heeft verweerder de door eisers opgeworpen twijfel over schending van artikel 4 van het Handvest als gevolg van het beëindigen van hun LVV-opvang niet weggenomen.
In een tweede uitspraak bepaalde de rechtbank dat ten aanzien van 4 andere vreemdelingen, aan wie een concreet aanbod is gedaan om in de Vrijheidsbeperkende locatie (VBL) te verblijven, de LVV wel beëindigd mocht worden. Letterlijk zegt de rechtbank hierover in overweging 16.3 van deze tweede uitspraak het volgende:
In het geval van eisers heeft verweerder in de bestreden besluiten een concreet aanbod gedaan voor opvang in de VBL. Uit de dossiers blijkt verder dat verweerder in de bezwaarfase actief contact heeft gezocht met een aantal eisers om de overdracht naar de VBL vorm te geven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met dit concrete aanbod in beginsel aannemelijk heeft gemaakt dat eisers door de beëindiging van hun LVV-opvang niet in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zullen komen te verkeren. In de VBL hebben eisers immers de beschikking over de meest elementaire levensbehoeften: bed, bad en brood.
In mei vorig jaar bepaalde de Rechtbank Amsterdam ook al dat de opvang van 28 vreemdelingen die in de LVV in Amsterdam verbleven niet beëindigd mocht worden, omdat dit zou leiden tot schending van artikel 4 van het Handvest voor de Grondrechten van de EU.
Meer informatie:
De uitspraak van de Rechtbank Rotterdam d.d. 24 april 2026 inzake de 16 vreemdelingen van wie de minister de opvang wilde beëindigen zonder dat er alternatieve opvang werd aangeboden, ECLI:NL:RBDHA:2026:9853 (download pdf-bestand, 12 pagina's)
De uitspraak van de Rechtbank Rotterdam d.d. 24 april 2026 inzake de 4 vreemdelingen van wie de minister de opvang wilde beëindigen maar aan wie wel een concreet aanbod werd gedaan voor opvang in de VBL, ECLI:NL:RBDHA:2026:9852 (download pdf-bestand, 9 pagina's)
Het bericht over de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam d.d. 26 mei 2025:
27-05-25 Rechtbank: Bed-bad-brood-regeling in Amsterdam voorlopig gehandhaafd
Lees ook:
17-10-24 EU-Hof: recht op basisvoorzieningen voor kwetsbare onuitzetbare vreemdeling (het zgn. Changu-arrest van het HvJ-EU)
03-08-16 Europees Hof: Bed-bad-brood voorkomt extreme armoede (het zgn. Hunde-arrest van het EHRM)
10-11-14 Nederland schendt basisrecht op voedsel, kleding en onderdak (de uitspraak van het ECSR)
Expertisedossier Recht op Opvang