27 februari 2026

Rechtbank Rotterdam: Iraniërs lopen gevaar bij terugkeer

Rechtbank Rotterdam: Iraniërs lopen gevaar bij terugkeer
De minister van Asiel en Migratie vindt de recente ontwikkelingen in Iran geen reden om het asielbeleid aan te passen. De Rechtbank Rotterdam oordeelt daar heel anders over.

 

De minister van Asiel en Migratie reageert in een brief aan de Tweede Kamer op 20 februari 2026*) op een verzoek vanuit de vaste commissie voor Asiel en Migratie.  De minister geeft aan dat er al diverse groepen in het asielbeleid worden aangemerkt als een risicoprofiel. Dit betekent dat in algemene zin wordt aangenomen dat er voor deze groep een verhoogd risico is op vervolging, maar dit moet wel individueel beoordeeld worden. In het onderliggende ambtelijke advies wordt daarbij aangegeven dat het de verwachting is dat de IND vaker asielverzoeken zal inwilligen van personen die tot dit risicoprofiel behoren. De minister ziet ondanks de sinds ongeveer twee maanden drastisch verslechterde situatie in Iran echter verder geen reden om haar oorspronkelijke beleid aan te passen.

Rechtbank Rotterdam ziet dit terecht toch echt anders. In een uitspraak van 5 februari 2026 stelde deze rechtbank dat alle Iraniërs die langere tijd in het westen hebben verbleven momenteel gevaar lopen bij terugkeer naar Iran. In overweging 3 van deze uitspraak geeft de rechtbank duidelijk aan waarom:

Uit het algemeen Ambtsbericht inzake Iran van september 2023 volgt al dat Iraniërs die na een langer verblijf in het Westen, en met een laisser-passer, terugkeren naar Iran een grote kans hebben om op het vliegveld te worden ondervraagd door de Iraanse autoriteiten over hun verblijf in het buitenland. Ook staat daarin dat als de Iraanse autoriteiten erachter komen dat een Iraniër in het Westen een asielaanvraag heeft ingediend, dit het risico op problemen aanzienlijk verhoogt, omdat de Iraanse autoriteiten dan kunnen denken dat die vreemdeling iets in Iran heeft gedaan wat niet mag, zoals afvallig zijn. Hieruit blijkt dat de Iraanse autoriteiten reeds ten tijde van het Ambtsbericht uit september 2023 behoorlijk achterdochtig waren jegens Iraniërs die terugkeerden na een langer verblijf in het Westen. Die achterdocht tegen deze groep zal door de recente gebeurtenissen in Iran, waaronder de grootschalige protesten tegen het regime, alleen maar zijn toegenomen. Hoewel de informatieverstrekking beperkt is, blijkt uit berichten in nationale en internationale media dat de verhoudingen tussen Iran en het Westen flink op scherp staan; Iran beschuldigt het Westen ervan de demonstranten te hebben aangespoord, in het Westen vinden grote demonstraties plaats tegen het Iraanse regime en de EU heeft de Revolutionaire Garde op de terrorismelijst geplaatst. Gelet hierop is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de Iraanse autoriteiten Iraniërs die nu terugkeren naar Iran na een langer verblijf in het Westen meer dan voorheen verdacht vinden en zien als een mogelijke bedreiging voor het regime. Gelet hierop en nu uit berichten in nationale en internationale media ook blijkt dat de Iraanse autoriteiten niet terugdeinzen voor massale arrestaties en grootschalige geweldsplegingen tegen hun eigen volk, ligt het op de weg van verweerder, in het kader van de samenwerkingsplicht, om te onderzoeken hoe de Iraanse autoriteiten op dit moment aankijken tegen en omgaan met Iraniërs die terugkeren na een langer verblijf in het Westen en om de twijfel weg te nemen dat deze groep bij terugkeer naar Iran te maken zal krijgen met vervolging of ernstige schade enkel als gevolg van hun verblijf in het Westen.

Andere Iraanse asielzoekers kunnen zich natuurlijk ook op deze grond beroepen in hun (opvolgende) asielprocedure.
 

*) de brief is abusievelijk gedateerd 20 januari 2026

Meer informatie:
De brief van minister Van Weel van Asiel en Migratie d.d. 20 februari 2026 aan de Tweede Kamer met als onderwerp 'verzoek reactie op asielprocedures m.b.t. de situatie in Iran'
Het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Rotterdam d.d. 5 februari 2026 met zaaknummer NL24.33712 (vervolg op de tussenuitspraak van 22 januari 2025)