Rechtbank: strenger nieuw beleid mag op oude gezinsherenigingsaanvragen worden toegepast
In dit geval gaat het om een Syrische vrouw die al in juni 2024 een status als ‘subsidiair beschermde’ kreeg en daarna meteen een verzoek om nareis voor haar familieleden heeft ingediend. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft pas op 21 juli 2026, dus veel te laat, op dit verzoek beslist en heeft daarbij meteen de nieuwe en veel stringentere nareisregelgeving toegepast zoals die geldt sinds 12 juni jl., de invoeringsdatum van het EU Asiel- en Migratiepact en de nog strengere Nederlandse regels. Omdat er in de Vreemdelingenwet geen overgangsrecht is opgenomen hebben de nieuwe regels onmiddellijke werking. Het verzoek om de familieleden over te mogen laten komen is dus afgewezen door de IND.
Hoe had deze Syrische vrouw echter in 2024 al moeten weten dat de subsidiaire status die ze toen kreeg later onvoldoende zou zijn om haar familie te laten overkomen? En dat ze dus eigenlijk toen al dóór had moeten procederen voor de vluchtelingenstatus (die meer rechten op gezinshereniging geeft dan de subsidiaire status) ? Dat had toen trouwens niet eens gekund, want volgens de toen geldende systematiek en jurisprudentie was daarvoor geen procesbelang aanwezig.
Als de IND gewoon tijdig had beslist op het verzoek om nareis volgens de lichtere voorwaarden die daarvoor toen golden, zou haar familie hier nu al lang zijn geweest. De vrouw en haar familie plukken nu bizar genoeg de wrange vruchten van het feit dat de IND veel te laat heeft beslist op het verzoek om nareis, ondanks dat er twee keer een zogenoemd beroep niet-tijdig beslissen bij de rechtbank was ingediend om de IND te dwingen tijdig een besluit te nemen.
Hoe is het mogelijk dat de IND én de rechtbank deze gang van zaken niet in strijd vinden met het evenredigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en het verbod op willekeur? Want of de beslissing van de IND op deze al jaren geleden gedane aanvraag positief of negatief uitpakt, is niet afhankelijk van de inhoud van de aanvraag, maar van het tijdstip waarop de IND het dossier behandelt en tot een beslissing komt, nl. vóór of ná 12 juni 2026.
Als doekje voor het bloeden heeft de Rechtbank Den Haag wel bepaald dat de IND bij de beslissing op dit verzoek om nareis (ook onder de stringentere nieuwe regelgeving) onvoldoende rekening heeft gehouden met alle belangen van betrokkenen. Daarom draagt de rechtbank de IND op om betrokkenen te horen en daarna binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen.
Op dit moment wordt bij verschillende rechtbanken geprocedeerd over de nieuwe regelgeving. Naar verwachting zal de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zich over enige tijd in hoger beroep uitspreken over de rechtsgeldigheid daarvan.
Meer informatie:
De uitspraak van de bestuursrechter van Rechtbank Den Haag d.d. 2 oktober 2026 met zaaknummer NL 25.42527 [ECLI:NL:RBDHA:2026:28902] (download pdf-bestand, 12 pag's)
Lees ook:
18-09-26 Rechtbank: ontbreken overgangsrecht in strijd met rechtszekerheid