18 september 2026

Rechtbank: ontbreken overgangsrecht in strijd met rechtszekerheid

Rechtbank: ontbreken overgangsrecht in strijd met rechtszekerheid
De Rechtbank Haarlem heeft bepaald dat het ontbreken van overgangsrecht bij de invoering van het EU Asiel- en Migratiepact in strijd is met het beginsel van rechtszekerheid.


De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) trok in deze zaak de afwijzende beslissingen op de asielaanvragen van betrokkenen in op de dag voor de rechtszitting en willigde vervolgens de asielaanvragen in op 5 augustus jl. De ingangsdatum van de asielstatus werd door de IND bepaald op 6 augustus 2026 en de verblijfstitel kreeg een geldigheidsduur van 3 jaar, conform het nieuwe beleid als gevolg van de invoering van het EU Asiel- en Migratiepact en de bijbehorende Nederlandse Implementatiewet per 12 juni jl.

Betrokkenen hadden hun asielverzoek echter al op 22 maart 2022 ingediend, dus ruim 4 jaar geleden. Het feit dat betrokkenen slechts een vergunning voor 3 jaar kregen betekent ook dat ze geen vergunning voor onbepaalde tijd konden krijgen (die is namelijk door Nederland tegelijkertijd met de invoering van het pact afgeschaft) en dat ze na 5 jaar alleen via een omweg zouden kunnen naturaliseren. Betrokkenen trokken vanwege deze ingangsdatum van de verleende asielstatus hun beroep tegen de beslissing van de IND dan ook niet in.

De Rechtbank Haarlem geeft aan dat de Afdeling Advisering van de Raad van State in zijn adviesbrief van 22 oktober 2025,  dus al ver voor de invoering van het nieuwe beleid als gevolg van het EU pact, de minister heeft gewezen op het ontbreken van overgangsrecht ten aanzien van de ingangsdatum van asielaanvragen die (al dan niet ruim) vóór 12 juni 2026 zijn ingediend. Volgens de Raad van State staat het ontbreken van overgangsrecht bij het beslissen na 12 juni 2026 op een asielvergunning aangevraagd vóór 12 juni op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel.*)

Dat de betrokkenen in deze zaak een status zouden krijgen die pas ingaat op de dag na de inwilliging en slechts drie jaar geldig is, in plaats van een status die met terugwerkende kracht ingaat op de dag van de asielaanvraag en vijf jaar geldig is, "acht de rechtbank vanuit een oogpunt van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en rechtsbescherming niet aanvaardbaar" (r.o. 5.2.2).

Volgens Rechtbank Haarlem is er geen sprake van een legitiem doel dat het ontbreken van overgangsrecht rechtvaardigt. Zo is niet onderbouwd waarom deze wetswijzigingen ertoe zouden leiden dat de druk op de asielketen wordt ontlast. Daarbij constateert de rechtbank dat het asielrelaas van betrokkene nog steeds hetzelfde is als in 2022. De rechtbank draagt de IND dan ook op om betrokkenen een asielstatus te verlenen met ingangsdatum 22 maart 2022 voor een periode van vijf jaar, dus geldig tot 22 maart 2027.

Met deze uitspraak wordt duidelijk dat de minister zich destijds ten onrechte niets heeft aangetrokken van het advies van de Raad van State hierover en nu dus ook terecht het deksel op de neus krijgt.
 

Meer informatie:
De tekst van de uitspraak van de Rechtbank Haarlem d.d. 16 september 2026 met zaaknummers NL25.46986 en NL25.46987 [ECLI:NL:RBDFHA:2026:27509] (download pdf-bestand, 7 pag's)
 

*) Uit de brief van de Afdeling Advisering van de Raad van State d.d. 22 oktober 2025 (zie Tweede Kamer stuk 36871-4, Advies Afdeling Advisering Raad van State en Nader Rapport) paragraaf 2.3 Overgangsrecht:
(...) De Afdeling merkt op dat het wetsvoorstel hiernaast nog meer nationale keuzes bevat die niet dwingend uit het Unierecht voortvloeien en waarbij de regering dus zelf kan kiezen voor het al dan niet toekennen van onmiddellijke werking. Dit geldt in ieder geval voor de afschaffing van de voornemenprocedure en voor de aangescherpte voorwaarden voor nareis. Daarnaast vloeien, zoals uitgewerkt in punt 3 van dit advies, ook de afschaffing van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en de invoering van het tweestatusstelsel niet dwingend voort uit het Unierecht. In verband hiermee herinnert de Afdeling eraan dat een keuze voor onmiddellijke werking betekent dat ook bestaande rechtsverhoudingen direct onder de werking van deze maatregelen komen te vallen. In de praktijk kan dit tot resultaten leiden die strijdig zijn met de beginselen van rechtszekerheid en gelijke behandeling. De vraag of oud dan wel nieuw recht van toepassing is, is namelijk niet afhankelijk van het moment waarop de individuele aanvraag is gedaan, maar van het moment waarop de Minister die aanvraag behandelt. (...)

(vetgedrukt door webredactie)