06 februari 2014

Staat moet terugkeer-risico's voor AMA individueel onderzoeken

Staat moet terugkeer-risico's voor AMA individueel onderzoeken
Het Mensenrechtencomité van de VN heeft in 2011 in de zaak van een uitgeprocedeerde alleenstaande minderjarige asielzoeker uitgesproken dat de Nederlandse staat in strijd met het  IVBPR-verdrag heeft gehandeld. Nederland had grondig onderzoek moeten doen naar de risico’s bij terugkeer naar China van een niet-geregistreerde minderjarige asielzoeker zonder familie.

Deze zaak betreft een alleenstaande minderjarige asielzoeker (AMA) uit China die, nadat hij in Nederland uitgeprocedeerd was, teruggestuurd zou worden naar China. Tegen deze uitzetting heeft betrokkene bezwaar aangetekend bij het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties op grond van schending van bepalingen uit het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Teruggestuurd worden naar China zonder identiteitsbewijs en zonder dat onderzoek is gedaan naar mogelijke daar aanwezige familieleden zou voor hem betekenen dat hij in feite op straat komt te staan. In China bestaat namelijk zonder geldig geregistreerd identiteitsbewijs (een zogenaamd ‘hukou’) geen recht op opvang in weeshuizen, gezondheidszorg, onderwijs of enige andere vorm van maatschappelijke ondersteuning. Terugzending onder deze omstandigheden zou een schending van het verbod op onmenselijke behandeling (art. 7 IVBPR) en van het recht op bescherming van minderjarigen (art. 24 IVBPR) betekenen.

De Nederlandse overheid brengt hier tegenin dat iedereen in China bij geboorte in een ‘hukou’ wordt geregistreerd en dat deze registraties door de lokale autoriteiten worden beheerd. Dit is weer een voorbeeld van het denken in termen van 'Haagse' politieke wenselijkheid in plaats van de werkelijke situatie in China, waar veel kinderen na hun geboorte nergens worden geregistreerd en de ‘hukou’-administratie vaak gebrekkig functioneert. Bovendien vindt het Comité dat niet van een alleenstaand twaalfjarig kind mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van zijn verplichtingen ten aanzien van de ‘hukou’-administratie en al helemaal niet dat hij als asielzoeker zelf contact opneemt met de Chinese autoriteiten.

Het Comité heeft in deze zaak verder als volgt overwogen:

“…from the deportation decision and from the State party’s submissions, it transpires that the State party failed to duly consider the extent of the hardship that the author would encounter if returned, especially given his young age at the time of the asylum process. The Committee further notes that the State party failed to identify any family members or friends with whom the author could have been reunited in China. In light of this, the Committee rejects the State party’s statement that it would have been in the best interest of the author as a child to be returned to that country. The Committee concludes that, by deciding to return the author to China without a thorough examination of the potential treatment that the author may have been subjected to as a child with no identified relatives and no confirmed registration, the State party failed to provide him with the necessary measures of protection as a minor at that time.

The Human Rights Committee […] is of the view that the State party’s decision to return the author to China violates his rights under article 24, in conjunction with article 7 of the Covenant.”

(overwegingen 10.3 en 11)

Volgens het Comité heeft Nederland (de ‘State party’) dus in strijd met het IVBPR (met name de artikelen 7 en 24) gehandeld; de staat heeft nagelaten de moeilijkheden die de minderjarige asielzoeker (de ‘author’) bij terugkeer mogelijk te wachten stonden grondig te onderzoeken en hem de noodzakelijke bescherming te bieden waar hij als minderjarige volgens het verdrag recht op heeft. Het Comité verwerpt het standpunt van Nederland dat terugkeer naar China in het belang (‘best interest’) van het kind zou zijn en roept Nederland op alsnog in overeenstemming met dit verdrag te handelen.

Deze uitspraak kan ook van belang zijn voor andere (ex-)AMA’s aan wie een AMA-vergunning werd onthouden omdat men in zijn algemeenheid wel als minderjarige terug zou kunnen keren naar het land van herkomst, en men in dat land bijvoorbeeld ook voorzieningen zou hebben voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Op grond van deze uitspraak moet de Nederlandse overheid namelijk bekijken of er in het individuele geval ook een mogelijkheid is voor opvang en bescherming voor de betreffende alleenstaande minderjarige vreemdeling in het land van herkomst, en kan zij zich niet beroepen op algemeenheden zoals in deze zaak.

Vermeldenswaard is tenslotte nog dat bij de uitspraak van het Comité ook enkele afwijkende meningen van individuele leden zijn gepubliceerd. Twee leden die het op juridisch-technische gronden niet eens zijn met het meerderheidsstandpunt laten daarin weten dat hun afwijzing van dit standpunt niet mag worden geïnterpreteerd als instemming met de handelwijze van Nederland; zij betogen dat de Nederlandse staat pas van een menselijke handelwijze zou blijk geven, als het besluit tot uitzetting zou worden teruggedraaid omdat de alleenstaande asielzoeker al zo lang heeft verbleven en is geworteld in Nederland.

 

Meer informatie:
De volledige uitspraak van het United Nations Human Rights Committee d.d. 22 juli 2011, Communication No. 1564/2007(download Engelstalig pdf-bestand, 12 pag’s)

Lees ook:
03-10-13 Kinderpardon voor slechts 620 kinderen
30-07-13 Rechtbank Amsterdam: aanvraag 'kinderpardon' ook toetsen aan schrijnendheid