11 juni 2013

Verblijfsvergunning Afghaans gezin na interim measure EHRM

Verblijfsvergunning Afghaans gezin na interim measure EHRM
IND en Raad van State passen circulaire niet toe. Met het alsnog verstrekken van een verblijfsvergunning aan een eerder afgewezen gezin uit Afghanistan heeft de IND voorkomen dat ‘kritische vragen’ van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat reeds een ‘interim measure’' had getroffen, moesten worden beantwoord. De Raad van State en de IND zijn bovendien beide voorbijgegaan aan het gegeven dat volgens de Vreemdelingencirculaire aan asielzoekers uit Afghanistan met gegronde vrees geen vestigingsalternatief mag worden tegengeworpen..  

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft op 11 januari 2013 een zogenaamde 'interim measure' (een soort voorlopige voorziening) getroffen voor een Afghaans gezin dat bij terugkeer vreesde voor eerwraak. In eerste instantie werd het asielverhaal van betrokkenen door de IND wel geloofwaardig gevonden maar werd een binnenlands vestigingsalternatief in Afghanistan tegengeworpen en de asielaanvraag van betrokkenen daarom afgewezen. Toen de rechtbank het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaarde bracht de IND de zaak in hoger beroep voor de Raad van State (‘doorprocederen’), die ook van oordeel was dat er een binnenlands vestigingsalternatief bestond en de uitspraak van de rechtbank vernietigde.

In het kader van de daarop volgende procedure bij het Europese Hof zijn er door het Hof een aantal 'kritische' vragen gesteld aan de IND. Die heeft er vervolgens voor gekozen om deze lastige vragen niet te beantwoorden en heeft het gezin in plaats daarvan in april 2013 een vergunning gegeven. In deze zaak lijkt het van groot belang te zijn dat dit gezin langdurig buiten Afghanistan heeft gewoond en in Afghanistan geen sociaal netwerk had om op terug te vallen.

Opmerkelijk is dat zowel de IND als de Raad van State in deze zaak geen aandacht hebben besteed aan het door de staatssecretaris zelf geformuleerde beleid in de Vreemdelingencirculaire dat - als er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM -  er geen vestigingsalternatief in Afghanistan zelf mag worden tegengeworpen. Dit stond expliciet beschreven in het op dat moment geldende WBV 2011/16 in paragraaf 6.1 (zie hieronder). Mogelijk heeft deze kapitale misslag van de IND en de Raad van State meegespeeld bij de beslissing deze familie uiteindelijk een vergunning te geven hangende de procedure bij het Europese Hof.
 
Overigens komt het wel vaker voor dat de IND hangende een procedure bij het Europese Hof een verblijfsvergunning aan de betreffende asielzoeker toekent. De IND ziet dan kennelijk wel in dat haar beslissing, die in eerste instantie tot bij de Raad van State standhield, toch niet overeind zal blijven bij het Europese Hof, en kiest er dan voor om hangende de procedure een verblijfsvergunning te verstrekken teneinde een veroordeling door het Europese Hof te voorkomen. Het zou immers niet erg prettig zijn voor de staatssecretaris als deze nog vaker door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens veroordeeld zou worden voor schending van mensenrechten.


Meer informatie:
Op de site van het Europees Hof vindt u de (Engelstalige) tekst van de interim measure die door het EHRM werd getroffen (nr 753/13).
Paragraaf 6.1 van de Vreemdelingencirculaire, WBV 2011/16 (pdf-bestand 2 pag’s)

Lees ook:
05-04-13  EHRM houdt uitzetting naar Somalië nog steeds tegen