08 mei 2013

Marginale toetsing in strijd met EU- en internationaal recht

Marginale toetsing in strijd met EU- en internationaal recht
Mevrouw mr dr Dana Baldinger, asielrechter in Amsterdam, worstelde met de vraag waarom ze geen grondig feitenonderzoek zou mogen doen in zaken waarin zo veel op het spel staat. De conclusie uit haar promotie-onderzoek: de in Nederland geldende doctrine van marginale toetsing is in strijd met Europees en internationaal recht. .

Mw Baldinger is op 16 april 2013 aan de Radboud Universiteit Nijmegen (Centrum voor Migratierecht) gepromoveerd op een onderzoek naar standaarden voor rechterlijk onderzoek en omgang met bewijs in internationaal en Europees asielrecht. Directe aanleiding voor dit onderzoek was het probleem waar zij als asielrechter tegenaanliep, dat zij als nationale rechter de geloofwaardigheid van een asielverhaal slechts marginaal mocht toetsen en geen grondig eigen feitenonderzoek mocht verrichten. Dit is het gevolg van de in Nederland geldende doctrine van de ‘marginale toetsing’, zoals die wordt opgelegd door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, het hoogste rechtsprekende orgaan in asielzaken.

Als de Raad van State een negatief oordeel heeft geveld kun je alleen nog een beroep doen op het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (klachtprocedure). En dit Hof doet in veel uitzettingszaken wèl een zelfstandig en grondig onderzoek naar de feiten. Uit diverse arresten van het EHRM blijkt ook dat het Europees Hof ontevreden is over het onderzoek door de nationale rechter in Nederland in zaken over de uitzetting van asielzoekers.

Uit het onderzoek van mw Baldinger kwam naar voren dat de beperkte bevoegdheid van de Nederlandse rechter (het ‘keurslijf van de marginale toetsing’) “niet past bij de standaarden voor nationaal rechterlijk onderzoek die volgen uit het internationale en Unierecht”. Volgens deze standaarden dient de rechter “uit hoofde van zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid, volledig bevoegd te zijn de feiten vast te stellen en feitenonderzoek te doen waar hij of zij dat nodig vindt in de voorliggende zaak”. Marginale toetsing, die betekent dat de nationale rechter alleen moet beoordelen of verweerder [dat is de IND die namens de Minister van Justitie de asielaanvraag beoordeelt, red.] in redelijkheid is kunnen komen tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid,  is dus “een bedreiging van de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid”.

Hiernaast bestaat volgens de Raad van State een ‘rechtsvermoeden’ omtrent de deskundigheid van de IND. Voor de rechter zal dus, zonder bewijs van het tegendeel, het oordeel van de IND leidend zijn. Zolang door de tegenpartij de deskundigheid van de IND niet onderbouwd in twijfel wordt getrokken mag de rechter naar deze aangenomen deskundigheid niet zelfstandig een onderzoek houden. Dit vindt INLIA opmerkelijk, omdat dit zou betekenen dat één van de twee partijen in een geschil op hetzelfde moment tevens als deskundige wordt aangemerkt.

Bovendien leidt de doctrine van de marginale toetsing door de Nederlandse rechter tot de als ongewenst beschouwde ontwikkeling dat internationale toezichthouders (zoals het EHRM, maar bijv. ook het Europese Hof van Justitie, het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen en het Anti-Folter Comité, beiden VN-organen) “zich gedwongen zien het werk van de nationale rechter over te doen, waardoor het subsidiaire karakter van het internationale systeem van mensenrechtenbescherming onder druk komt”. Als de nationale rechter aan de asielzoeker namelijk een zwakkere rechtsbescherming biedt dan waar hij op grond van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens recht op heeft, zal die asielzoeker vrijwel altijd een klachtprocedure bij het EHRM gaan neerleggen.

Het is een goede zaak dat weer eens, dit maal na uitgebreid wetenschappelijk onderzoek, wordt opgetekend dat het slecht gesteld is met de mogelijkheid voor de Nederlandse rechter om grondig feitenonderzoek te verrichten. Ook als INLIA worden we regelmatig geconfronteerd met abominabel feitenonderzoek van de IND, waar de rechter vaak niets aan doet omdat dat niet mag van de Raad van State. Uit een aantal recente uitspraken van het EHRM maakte INLIA al eerder op dat de toetsing van de feiten door de Nederlandse rechter te beperkt is.


Meer informatie:
De citaten uit bovenstaand bericht zijn afkomstig uit het artikel “Grondig onderzoek versus marginale toetsing” door Dr Mr D. Baldinger, dat verscheen in Asiel- & Migratierecht (A&MR) 2013 nr 3.

Lees ook:
16-03-12  Restrictieve toepassing van Europees arrest door Raad van State
03-11-11  Raad van State meet (weer eens) met twee maten
29-08-11  Raad van State draait 180 graden in folteringszaken
20-01-11  Raad van State kent twee soorten jeugddetentie