• Vluchtelingen4-thumb
    INLIA - partner van vluchtelingen
  • Ombudsman-thumb
    "Je ziet dat we mensenrechten haast als belachelijke luxe opzij willen zetten" (Nationale Ombudsman Brenninkmeijer, mrt 2012)
  • Rein_zunderdorp_vz_human_verb-thumb
    "Onuitzetbaarheid verdwijnt niet met spierballentaal" (Rein Zunderdorp, vz Humanistisch Verbond in Trouw, 11/7/11)
  • Monika_schmid-thumb
    "Taalanalyse IND onbetrouwbaar en dus onbruikbaar" (prof. dr. Monika Schmid, 7/6/11)
  • Knmg_voorzitter_arie_nieuwenhuijzen_kruseman-thumb
    "Wij mogen ons niet laten leiden door de verzekering of portemonnee van de patiënt" (Arie Kruseman, vz KNMG, jan 2012)
  • Karin_kloosterboer_unicef-thumb
    "Vanuit de goot keren mensen niet terug naar het land van herkomst" (Karin Kloosterboer, UNICEF, 22/08/11)
Rechtbank Zwolle: Iraniër wordt vluchteling door social media (20-10-11) 



Social_media_icoontjes-thumb
Rechtbank Zwolle heeft op 4 oktober 2011 uitgesproken dat een Iraanse asielzoeker die op foto's en/of filmpjes staat die tijdens een demonstratie bij de Iraanse ambassade zijn gemaakt en die op internet zijn gepubliceerd, een reëel risico loopt om vervolgd te worden bij terugkeer naar Iran. 

De betreffende Iraanse asielzoeker dient volgens de rechtbank beschouwd te worden als een 'réfugié sur place'. Met dit begrip uit het Vluchtelingenverdrag van Genève wordt de situatie aangeduid dat iemand buiten zijn eigen land activiteiten onderneemt waardoor hij gevaar loopt bij terugkeer naar zijn eigen land, reden waarom hij 'ter plekke' als vluchteling beschouwd moet worden.

De IND voerde nog aan dat iemand ook vergelijkbare activiteiten in het land van herkomst moet hebben verricht wil hij/zij in aanmerking komen voor een asielstatus. Volgens de rechtbank Zwolle valt uit artikel 5 van de Definitierichtlijn (Dri) van de Europese Unie af te leiden dat gegronde vrees voor vervolging ook gebaseerd kan zijn op activiteiten van de vreemdeling sinds hij zijn land van herkomst heeft verlaten. Eerder oordeelde de Raad van State al in een zaak van 13 januari 2010 (nr. 200904515/1/V1), dat art. 5 Dri niet eist dat, in tegenstelling tot wat de IND aangaf, "om te worden aangemerkt als réfugié sur place, de betreffende activiteiten de uitdrukking en de voortzetting dienen te vormen van overtuigingen of strekkingen die reeds in het land van herkomst werden aangehangen".
 
De rechtbank verwijst verder in haar uitspraak naar het ambtsbericht van oktober 2010 over Iran waarin staat dat "het kan voorkomen dat Iraniërs op het vliegveld worden geconfronteerd met de inhoud van hun weblogs, facebook-, hyves- of twitterpagina. Hierbij ligt geen specifieke nadruk op in- of uitreizende Iraniërs."  Hieruit dient volgens de rechtbank afgeleid te worden "dat de Iraanse autoriteiten over de mogelijkheid beschikken om door middel van sociale media politieke opposanten in het buitenland in de gaten te houden, en dat zij dat ook daadwerkelijk doen". Ook uit informatie uit diverse andere bronnen blijkt dat de Iraanse autoriteiten gebruik maken van internet voor het opsporen van politieke opposanten.

Meer informatie:
De volledige uitspraak van Rechtbank Zwolle d.d. 4 okt 2011

Aanvulling:
De advocaat van de betrokken asielzoeker heeft ons laten weten dat (ook) in deze zaak de IND namens de minister hoger beroep heeft aangetekend, o.a. omdat cliënt niet herkenbaar zou zijn. Het wachten is dus nu op het oordeel in hoger beroep van de Raad van State.
 

Plaats reactie

Naam
Bericht
Lees de spelregels