15 januari 2018

Raad van State: geen uitzonderlijk gevaarlijke situatie in Libië

Raad van State: geen uitzonderlijk gevaarlijke situatie in Libië
Op 4 januari 2018 kwam de langverwachte uitspraak van de Raad van State in een zaak die al op 19 oktober 2017 ter zitting was behandeld. De Afdeling komt tot het oordeel dat er in Libië geen sprake is van een uitzonderlijk gevaarlijke veiligheidssituatie en wijkt daarmee af van de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 28 juni 2017..
De Raad van State beroept zich op de mogelijkheid om zelf, al dan niet in afwijking van de ons omringende landen, een afweging te maken over de veiligheidssituatie in Libië. Volgens de Raad van State is het in Libië niet dermate gevaarlijk dat de enkele aanwezigheid van iemand daar reden is voor het bieden van internationale bescherming.

Rechtsoverweging 6.1:
De staatssecretaris heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat de algemene veiligheidssituatie in Libië, in het bijzonder in Benghazi, thans niet zodanig slecht is dat de vreemdeling reeds om die reden daarnaar niet kan terugkeren. Hierbij is van belang dat de door partijen overgelegde stukken over de veiligheidssituatie in Libië geen wezenlijk ander beeld geven van de veiligheidssituatie daar, dan uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2016 naar voren komt. Weliswaar doet zich een bepaalde mate van willekeurig geweld voor doordat milities gevechtsmethoden gebruiken die het risico op willekeurige burgerslachtoffers verhogen, maar dit maakt niet dat de situatie daarmee als uitzonderlijk in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 moet worden aangemerkt. Er is geen sprake van een situatie waarbij een burger die in het geheel niet verbonden is met één van de strijdende partijen louter door zijn aanwezigheid in Libië, in het bijzonder in Benghazi, een reëel risico loopt op een bedreiging als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000. Ook het afgenomen aantal ontheemden en de omstandigheid dat het aantal dodelijke slachtoffers niet lijkt te zijn toegenomen dienen in dit verband te worden meegewogen. Hoewel de cijfers, zoals ook door partijen wordt erkend, niet compleet zijn, kan daaruit wel worden afgeleid of de situatie anders is dan de situatie ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2016. De omstandigheid dat de ons omringende landen de veiligheidssituatie in Libië verschillend beoordelen, maakt, zoals de Afdeling in voormelde uitspraak van 20 juli 2016 ook heeft overwogen, op zichzelf niet dat het standpunt van de staatssecretaris niet deugdelijk is. Dat de Afdeling, anders dan het Upper Tribunal, van oordeel is dat zich in Libië, in het bijzonder in Benghazi, thans niet de uitzonderlijke situatie voordoet, betekent niet dat aan andere omstandigheden dan de omstandigheden als vermeld onder 5. en 5.1. geen betekenis toekomt.
 
Deze uitspraak toont aan dat de Raad van State niet snel tot de conclusie komt dat een land te onveilig is om naar terug te keren; iets wat de hoogste Britse rechter wel vond. Bijzonder is dat hierdoor Libische vluchtelingen in het ene Europese land wèl bescherming krijgen en in het andere Europese land niet. 
 
De vraag die zich zou kunnen voordoen is; in hoeverre dit adviesorgaan van de rijksoverheid, de Raad van State, zich heeft laten leiden door de overweging dat, indien zij de hoogste Britse rechter zou volgen en Libië onveilig had verklaard, dan de deals met de Libische autoriteiten over het tegenhouden en terugsturen naar Libië van bootvluchtelingen tot een eind waren gekomen. De voorstanders van deze deals ( lees: o.m. de rijksoverheid) zouden daar erg ongelukkig van worden. Anderen zouden opgelucht ademhalen, wetende dat niet langer teruggestuurde mensen - alle mensenrechten tartend - als slaven worden verkocht!


Meer informatie:
De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 januari 2018, met zaaknummer 201706705/1 (link naar de site van de RvS).

De term 'uitzonderlijke situatie' verwijst naar art 15-C uit de Europese Definitierichtlijn, die bepaalt dat mensen recht hebben op bescherming tegen de uitzonderlijke situatie “dat de mate van willekeurig geweld in een aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het (…) land of gebied louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op (…) ernstige schade.”

Lees ook:
02-10-17  Raad van State vindt onthouden van opvang niet in strijd met de mensenrechten
17-07-12  Raad van State verbiedt alle uitzettingen naar Somalië