• Gemeentehuis2-thumb
    INLIA - partner van gemeenten
  • College_rvdm_vz_mw_l_koster-thumb
    "Bed-bad-brood is de absolute ondergrens; daar onderhandel je niet over" (mr Laurien Koster, voorz College voor de Rechten van de Mens)
  • Zanen_jan_van_bm_utrecht-thumb
    "Openbare orde, daar ben ìk van en niet de staat" (burgemeester Jan van Zanen van Utrecht, 26/9/14)
  • Jos_wienen_bm_katwijk-thumb
    "We moeten voorkomen dat mensen creperen" (Jos Wienen, burgemeester van Haarlem en voorz Platform Asiel v/d VNG)
  • Victor_everhardt_wethouder_gem_utrecht-thumb
    "Dit is geen bestuurlijke ongehoorzaamheid maar onze eigen verantwoordelijkheid" (wethouder Victor Everhardt, Utrecht)
  • Tri_uit_wageningen_kinderpardonpas-thumb
    "Ze zeggen dat het terugsturen is, terwijl het eigenlijk wégsturen is" (Tri uit Wageningen, 11 jaar, afgewezen voor het kinderpardon)
VBL: realistisch alternatief voor 'bed-bad-brood'? (04-12-15) 



Ter_apel-thumb
Uitstroom uit VBL naar land van herkomst wordt niet geregistreerd

Uit de recente uitspraken van rechters over ‘bed-bad-brood’ blijkt dat de Vrijheidsbeperkende Locatie moet worden beschouwd als alternatief. INLIA onderzocht de uitstroomcijfers vanuit de VBL naar het land van herkomst.

Op 26 november 2015 deden de twee hoogste rechtscolleges, Raad van State en Centrale Raad van Beroep, uitspraak in zaken die waren aangespannen door vreemdelingen die om opvangvoorzieningen hadden gevraagd en het niet eens waren met de beslissing dat ze daarvoor onder voorwaarden in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) terecht konden. De rechtscolleges stelden de Staat in het gelijk: die mag voorwaarden stellen aan de opvang en daarom is de gemeentelijke 'bed-bad-brood' voorziening niet nodig.

Nu blijft de vraag in hoeverre deze VBL inderdaad een realistisch alternatief is. Om daarover goed te kunnen oordelen is van belang te weten in hoeveel gevallen opname van afgewezen asielzoekers in een VBL inderdaad leidt tot terugkeer naar het land van herkomst. Immers, daarop is plaatsing in een VBL gebaseerd, zoals ook blijkt uit deze voorlichtingstekst op de website van het COA:
"Op een vbl verblijven uitgeprocedeerde asielzoekers die geen recht meer hebben op opvang op een azc. Zij kunnen nog maximaal twaalf weken terecht op de vbl. Voorwaarde voor plaatsing op een vbl is dat er binnen die twaalf weken uitzicht is op terugkeer. De begeleiding op de vbl is gericht op terugkeer. Tijdens het verblijf op de vbl blijft de uitgeprocedeerde zelf verantwoordelijk voor zijn vertrek uit Nederland. Het COA en de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) ondersteunen hem daarbij."

Daarom heeft INLIA op 13 oktober jl. middels een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) de volgende vragen aan de Dienst Terugkeer en Vertrek voorgelegd: hoeveel personen zijn er in de periode van 1 januari 2014 tot 1 januari 2015 in de VBL opgenomen, en hoeveel van deze instroom is tot 1 oktober 2015 aantoonbaar vertrokken naar hun land van herkomst?
 
Als antwoord meldt de DT&V op 12 november jl. dat in het jaar 2014 ongeveer 440 vreemdelingen in de VBL zijn opgenomen. Hoeveel van deze groep vanuit de VBL is vertrokken naar het land van herkomst is “niet eenvoudig te genereren uit het registratiesysteem”, reden waarom deze vraag niet kan worden beantwoord. Wel wordt aangegeven dat in de periode van 1 januari 2015 tot 1 oktober 2015 ongeveer 140 vreemdelingen aantoonbaar zelfstandig zijn vertrokken naar het land van herkomst. Ongeveer 15 vreemdelingen zijn in deze periode vanuit de VBL in bewaring gesteld ten behoeve van uitzetting en ongeveer 195 vreemdelingen zijn “vanwege een andere reden” uitgestroomd.
 
Het is opmerkelijk dat de DT&V niet eenvoudig cijfers kan overleggen waaruit het concrete resultaat met betrekking tot het realiseren van terugkeer kan worden afgeleid. Kennelijk wordt niet geregistreerd hoeveel van de 440 in 2014 ingestroomde vreemdelingen daadwerkelijk zijn teruggekeerd naar hun land van herkomst. Ook is niet bekend hoeveel personen uit deze groep om andere redenen zijn uitgestroomd en hoeveel hiervan op straat zijn gezet. Hierdoor is het dus ook niet goed mogelijk om het functioneren van de DT&V te evalueren. 
 
Ondanks dat op basis van deze cijfers niets gezegd kan worden over het percentage vreemdelingen dat terugkeert vanuit de VBL, kan er wel uit worden opgemaakt dat er meer vreemdelingen vanwege andere, niet nader gedefinieerde redenen uitstromen dan dat er terugkeren naar het land van herkomst. Dit terwijl er vóór opname in de VBL al getoetst wordt of er zicht is op terugkeer binnen drie maanden. Is een dergelijk zicht op terugkeer er volgens de DT&V namelijk niet, dan krijgt de betreffende vreemdeling géén opvang in de VBL. Bij de niet nader gedefinieerde categorie welke 'vanwege een andere reden’ uitstroomt kan overigens worden gedacht aan vreemdelingen die ‘MOB’ zijn gegaan (met onbekende bestemming vertrokken, met andere woorden ‘terug op straat’) en vreemdelingen die vanuit de VBL weer opvang hebben gekregen als gevolg van het indienen van een nieuwe asielaanvraag.
 
 
Meer informatie:
De brief van de DT&V d.d. 12 november 2015 in antwoord op het WOB-verzoek van INLIA d.d. 13 oktober 2015

Lees ook:
27-11-15  Teleurgestelde reacties na rechterlijke uitspraken over 'bed-bad-brood'
26-11-15  Uitspraken 'bed-bad-brood'-opvang werpen ons terug in de tijd
30-04-15  Bed-bad-brood discussie: Haagse wenselijkheid vs lokale realiteit

23-07-15  Minstens 4.600 vreemdelingen 'met onbekende bestemming' in 2014
29-04-14  Bijna 2.500 asielzoekers 'mob' in acht maanden tijd
02-08-13  Ruim 5.300 vreemdelingen 'mob' in 2012
 
Deel

Plaats reactie

Naam
E-mail
Bericht
Lees de spelregels