• Gemeentehuis2-thumb
    INLIA - partner van gemeenten
  • College_rvdm_vz_mw_l_koster-thumb
    "Bed-bad-brood is de absolute ondergrens; daar onderhandel je niet over" (mr Laurien Koster, voorz College voor de Rechten van de Mens)
  • Zanen_jan_van_bm_utrecht-thumb
    "Openbare orde, daar ben ìk van en niet de staat" (burgemeester Jan van Zanen van Utrecht, 26/9/14)
  • Jos_wienen_bm_katwijk-thumb
    "We moeten voorkomen dat mensen creperen" (Jos Wienen, burgemeester van Haarlem en voorz Platform Asiel v/d VNG)
  • Victor_everhardt_wethouder_gem_utrecht-thumb
    "Dit is geen bestuurlijke ongehoorzaamheid maar onze eigen verantwoordelijkheid" (wethouder Victor Everhardt, Utrecht)
  • Tri_uit_wageningen_kinderpardonpas-thumb
    "Ze zeggen dat het terugsturen is, terwijl het eigenlijk wégsturen is" (Tri uit Wageningen, 11 jaar, afgewezen voor het kinderpardon)
Uitspraak Raad van State over gewortelde kinderen en art. 8 EVRM (19-11-13) 



Raad_van_state_logo-thumb
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State deed onlangs een belangwekkende uitspraak over de toepassing van art. 8 EVRM, het recht op respect voor privé-, familie- en gezinsleven, ten aanzien van langdurig verblijvende jonge asielzoekers die al op jonge leeftijd naar Nederland zijn gekomen en nu net te oud zijn voor het ‘kinderpardon’.

In deze zaak gaat het over een vreemdeling die in 1999 op achtjarige leeftijd met zijn vader naar Nederland is gekomen, hier al deze tijd onderwijs heeft gevolgd, een sociaal netwerk heeft opgebouwd en in het geheel geen banden meer heeft met zijn land van herkomst.

De staatssecretaris heeft onder het bekende adagium van ‘eigen verantwoordelijkheid’ erkend dat het weliswaar niet de keuze van het kind is geweest om naar Nederland te komen. Dit betekent echter niet dat een keuze van zijn vader om zonder verblijfsrecht in Nederland te verblijven niet nadelig voor de vreemdeling (het kind) zelf mag uitpakken:
Hoewel de vreemdeling sterke banden heeft met Nederland, betekent dit volgens de staatssecretaris niet dat niet van hem zou kunnen worden gevergd dat hij terugkeert naar een van de landen van eerder verblijf [nl. Rusland en Azerbeidjzan]. Omdat de vreemdeling al acht jaar oud was toen hij naar Nederland kwam, mag worden verwacht dat hij nog banden heeft met deze landen, aldus de staatssecretaris”.
Een uitzondering zou volgens de staatssecretaris pas mogelijk zijn na ‘zeer langdurig verblijf’, waarvoor de staatssecretaris op basis van enkele uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een periode vaststelt van 30 (!) jaar.

In de belangenafweging tussen het belang van de staat (die een restrictief toelatingsbeleid wil voeren) en dat van het kind is het nationale belang van het vreemdelingenbeleid in principe zwaarwegend genoeg om een keuze van een ouder aan een kind toe te rekenen. Dat geldt in het bijzonder in gevallen waarin ouders hadden moeten weten dat hun verblijfsrecht niet zeker was en het risico bestaat dat ouders de positie van hun kind gebruiken om voor henzelf een verblijfsvergunning te verkrijgen. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan artikel 8 EVRM hierop een uitzondering vormen.

In deze zaak was de vader voor zijn eigen verblijfsrecht niet afhankelijk van een status van zijn kind, dus bestond er nooit een risico dat de positie van het kind op deze manier gebruikt zou worden. De eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling (het kind) is in deze zaak daarom geen doorslaggevende omstandigheid. Vervolgens volgt niet uit uitspraken van het EHRM dat in àlle gevallen een verblijfsperiode van 30 jaar is vereist. De staatssecretaris heeft “nagelaten in het bijzonder de omstandigheid dat de vreemdeling – gelet op de jeugdige leeftijd waarop hij naar Nederland is gekomen en zijn verblijfsduur sindsdien – moet worden geacht zeer sterke banden met Nederland te hebben, bij de door hem te verrichten belangenafweging te betrekken” . Daarom is het besluit van de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd en had de rechtbank het besluit moeten vernietigen, aldus de Raad van State.

Deze uitspraak betekent dat er bij de Raad van State meer ruimte komt voor asielzoekers die op jonge leeftijd naar Nederland zijn gekomen en door een langdurig verblijf sterke banden met Nederland hebben opgebouwd. Ook in zaken waarin een aanvraag op grond van het kinderpardon is afgewezen omdat de asielzoeker inmiddels ouder is dan 21 jaar, maar wel langdurig in Nederland verblijft en in de samenleving geworteld is, kan deze uitspraak worden gebruikt. Na een afwijzing voor het kinderpardon in dit soort zaken kan men zich bij het indienen van een bezwaarschrift beroepen op het recht op privé-leven zoals vervat in art. 8 EVRM.   


Meer informatie:
De tekst van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 13 november 2013, zaaknr 201112108/1/V2 (pdf-bestand, 6 pag's)

Lees ook:
03-10-13  Kinderpardon voor slechts 620 kinderen
30-07-13  Rechtbank Amsterdam:aanvraag kinderpardon ook toetsen aan schrijnendheid
 

Deel