• Vluchtelingen4-thumb
    INLIA - partner van vluchtelingen
  • Kinderombudsman_marc_dullaert-thumb
    "De rechten van kinderen worden met voeten getreden" (Kinderombudsman Marc Dullaert over het kinderpardon)
  • Prof_dr_hein_de_haas_univ_maastricht-thumb
    "Mensensmokkel is een reactie op grenscontroles, niet de oorzaak van migratie" (Prof Dr Hein de Haas, Univ. van Oxford en Maastricht)
  • Baldinger_mr_dr_dana_rechter_a_dam-thumb
    "Waarom zou ik als asielrechter geen grondig feitenonderzoek mogen verrichten?" (mr dr Dana Baldinger, Rechtbank Amsterdam)
  • Roel_fernhout-thumb
    "Rechtspraak Raad van State is schokkend slecht en niet gemotiveerd" (Roel Fernhout, vml Nationale Ombudsman)
  • Karin_kloosterboer_unicef-thumb
    "Vanuit de goot keren mensen niet terug naar het land van herkomst" (Karin Kloosterboer, UNICEF)
  • Bas_de_gaay_fortman-thumb
    "In publieke handhaving van de mensenrechten ligt de lakmoesproef van de rechtsstaat" (prof mr dr Bas de Gaay Fortman)
Toepassing tienjaren-beleid voor 1F-ers (30-11-17) 



Tweede_kamer_zetel-thumb
Voor asielzoekers aan wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen wegens verdenking van oorlogsmisdaden, maar die ook niet veilig kunnen terugkeren naar hun land van herkomst, geldt sinds 2009 een zogenaamd tienjaren-beleid. INLIA heeft met een beroep op de WOB gevraagd hoe vaak dit beleid daadwerkelijk is toegepast.


Al eerder berichtten wij hier over de situatie van asielzoekers met een 1F status van wie ook vaststaat dat zij niet veilig kunnen terugkeren naar het land van herkomst en waarvan de IND dus erkent dat zij een zogenaamd 3 EVRM-risico lopen. Voor deze gevallen is er een beleid ingesteld dat, wanneer deze situatie zich 10 jaar voordoet en er daarbij sprake is van bijzondere (medische of maatschappelijke) omstandigheden, deze asielzoekers alsnog een vergunning kunnen krijgen. In art. 1F van het Vluchtelingenverdrag staat dat asielzoekers die van ernstige mensenrechtenschendingen en/of oorlogsmisdaden verdacht worden een asielstatus mag worden onthouden. Bijna geen enkele asielzoeker aan wie art. 1F wordt tegengeworpen, is echter strafrechtelijk veroordeeld hiervoor. In het vreemdelingenrecht blijft men de asielzoeker echter desondanks wel permanent art. 1F tegenwerpen.
 
Om duidelijkheid te krijgen over de vraag of en in hoeverre er in de praktijk toepassing wordt gegeven aan dit tienjaren-beleid heeft INLIA op 4 oktober 2017 een verzoek om informatie op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) gedaan bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), met de vraag hoe vaak er sinds het instellen van het beleid in 2009 daadwerkelijk gebruik van is gemaakt. 
 
Inmiddels heeft (demissionair) minister Blok van Veiligheid & Justitie in antwoorden op schriftelijke vragen van de Tweede Kamer tevens antwoord gegeven op de vragen van INLIA. Na eerst uitgebreid te spreken over de onwenselijkheid om vreemdelingen met een 1F status een vergunning te geven, geeft de minister het volgende aan (op pag.13) :
 
Het strafrecht en het vreemdelingenrecht zijn wezenlijk verschillende rechtsgebieden: strafrechtelijk onderzoek en vervolging kan om tal van redenen uitgesloten, onhaalbaar of niet opportuun zijn, terwijl desalniettemin op goede gronden van (zeer) sterke aanwijzingen – genoemde «ernstige redenen» – in de zin van artikel 1F Vlv kan worden gesproken.
 
Een vreemdeling aan wie artikel 1F Vlv is tegengeworpen wordt beschouwd als een gevaar voor de openbare orde als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. Reeds hierom komt een vreemdeling aan wie artikel 1F Vlv is tegengeworpen in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van buitenschuld. Wel kan een vergunning worden verleend aan een vreemdeling aan wie artikel 1F Vlv is tegengeworpen op grond van de duurzaamheids- en proportionaliteitstoets. Daartoe is vereist dat vanwege artikel 3 EVRM voor de duur van minimaal tien jaar de vreemdeling niet uit Nederland kan vertrekken en deze daarnaast zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt. Vanwege de ernst van de verweten gedragingen wordt op voorhand aan de belangen van de Staat groot gewicht toegekend. Het gaat bij artikel 1F Vlv immers zonder uitzondering om zeer ernstige misdrijven. Telkens wordt een afweging gemaakt tussen de aard en ernst van de 1F tegenwerping en de individuele belangen en bijzondere situatie waarin de 1F’er verkeert. Alle elementen worden daarin meegenomen, dus ook medische en sociale factoren, zoals de vraag of het gezinsleven buiten Nederland uitgeoefend kan worden (wanneer gezinsleden van een 1F’er rechtmatig verblijf hebben, betekent dit namelijk niet dat tevens aan de 1F’er verblijf moet worden toegestaan). In de zaken waarin een vergunning op grond van duurzaamheid en disproportionaliteit is verleend, heeft zo’n belangenafweging plaatsgevonden en is geoordeeld dat de individuele zaken dusdanig uitzonderlijk (schrijnend) en onderscheidend waren om disproportionaliteit aan te nemen.
 
Tot nu toe is in ongeveer 10 1F-zaken een vergunning verleend op grond van de duurzaamheids- en proportionaliteitstoets.
 
In de acht jaar dat dit beleid bestaat is dus in ‘ongeveer’ 10 gevallen een vergunning verleend. In tientallen andere gevallen werd het beroep op dit tienjaren-beleid afgewezen, vaak omdat de omstandigheden niet uitzonderlijk genoeg zouden zijn. Ook als iemand bijv. inmiddels 15 of 20 jaar in Nederland verblijft, worden verzoeken op grond van dit tienjaren-beleid vaak afgewezen. 
 
De minister benadrukt het maatschappelijke belang van het buitensluiten van personen die ernstige misdrijven hebben begaan, maar feit is dat betrokkenen bijna nooit strafrechtelijk zijn veroordeeld; ten aanzien van personen die nooit strafrechtelijk zijn veroordeeld kan men ook niet spreken van ernstige misdadigers. De IND bepaalt op dit moment wanneer er ten aanzien van een asielzoeker een vermoeden van zo’n ernstig misdrijf bestaat. Soms gebeurt dit op grond van verklaringen van de asielzoeker zelf, in andere gevallen op grond van ambtsberichten, waarvan de bronnen worden achtergehouden; de Raad van State gaat dikwijls mee in deze vaststelling door de IND.
 
Voor bijvoorbeeld Afghanistan worden asielzoekers die een officiersrang hadden bij de Khad/Wad (de toenmalige geheime dienst in Afghanistan) categoriaal bestempeld als 1F-ers, zonder dat er een individuele toets plaatsvindt. In een strafrechtelijke zaak zou dergelijk bewijs nooit doorslaggevend kunnen zijn. Om deze reden loopt er op dit moment een gerechtelijke procedure, aangespannen door het Public Interest Litigation Project (PILP) van het Nederlands Juristen Comité voor Mensenrechten (NJCM) om deze categorale tegenwerping van art. 1F aan te vechten.
 
De wijze waarop de IND tot vaststelling van de vermeende 1F status komt staat dus zeer duidelijk ter discussie. Hiernaast roept het geringe aantal toewijzingen van aanvragen voor toepassing van het tienjaren-beleid vragen op over de wijze van weging van de mensenrechtelijke situatie van asielzoekers die jarenlang tussen wal en schip vallen. 

 
Meer informatie: 
De antwoorden op de Kamervragen over o.a. de toepassing van het tienjaren-beleid (Verslag van een schriftelijk overleg over 'internationale misdrijven', download pdf-bestand) die de IND ons ter hand stelde als antwoord op het WOB-verzoek
De procedure van het PILP tegen de categorale tegenwerping van art. 1F door de IND (link naar de site van het PILP)

Lees ook:
10-09-15  Hardvochtig 1F-beleid verscheurt gezin
19-06-12  Beleid langdurig verblijvende 1F-ers is een dode letter
30-03-12  De burgemeester en het 1F-beleid
11-11-11   Afghaanse oud-generaal ook door Hoge Raad vrijgesproken
18-07-11  Steeds meer burgemeesters protesteren tegen 1F-beleid


 
Deel

Plaats reactie

Naam
E-mail
Bericht
Lees de spelregels