• Gemeentehuis2-thumb
    INLIA - partner van gemeenten
  • Schouw_gerard_tk-lid_d66-thumb
    "De staatssecretaris stuurt aan op burgemeestersbonje" (Tweede Kamerlid Gerard Schouw, 30/9/14)
  • Zanen_jan_van_bm_utrecht-thumb
    "Openbare orde, daar ben ìk van en niet de staat" (burgemeester Jan van Zanen van Utrecht, 26/9/14)
  • Jos_wienen_bm_katwijk-thumb
    "We moeten voorkomen dat mensen creperen" (Jos Wienen, burgemeester van Katwijk en voorz Platform Asiel v/d VNG)
  • Victor_everhardt_wethouder_gem_utrecht-thumb
    "Dit is geen bestuurlijke ongehoorzaamheid maar onze eigen verantwoordelijkheid" (wethouder Victor Everhardt, Utrecht)
  • Tri_uit_wageningen_kinderpardonpas-thumb
    "Ze zeggen dat het terugsturen is, terwijl het eigenlijk wégsturen is" (Tri uit Wageningen, 11 jaar, afgewezen voor het kinderpardon)
Rechtbank Amsterdam bevestigt onvoorwaardelijk recht op bed-bad-brood (13-05-15) 



Amsterdam_gemeente_logo-thumb
Beroep bij Raad van State ingetrokken

De Rechtbank Amsterdam bevestigde in een belangwekkende uitspraak op 8 mei 2015 het onvoorwaardelijke recht op bed-bad-brood voor iedereen die geen aanspraak kan maken op andere, voorliggende voorzieningen. De rechtbank baseert zich daarbij op de beslissing van het ECSR van 1 juli 2014 en op artikel 8 EVRM, dat het recht op een menswaardig bestaan en privéleven beschermt.

De zaak was aangespannen tegen de Gemeente Amsterdam door bewoners van de voormalige 'Vluchthaven', aan wie de gemeente had geweigerd voorzieningen in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) te verstrekken. De rechtbank vernietigde het besluit van de gemeente en bepaalde dat betrokkenen recht hebben op "maatschappelijke opvang overeenkomstig de bed-bad-brood voorziening". 

De rechtbank baseert deze beslissing op de uitspraak van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) van 1 juli 2014 (gepubliceerd op 10 november 2014) en besteedt in het geheel geen aandacht aan de politieke resolutie van het Comité van Ministers van de Raad van Europa d.d. 15 april 2015, waaraan door de staatssecretaris van Veiligheid & Justitie en de coalitiepartners zo veel belang was gehecht. De rechtbank overweegt letterlijk als volgt:

9. Ook de rechtbank is van oordeel dat niet aan de beslissing van het ECSR kan worden voorbijgegaan. Hoewel geen sprake is van een juridisch bindende uitspraak, wil dat niet zeggen dat het oordeel van het ECSR zonder betekenis is. De beslissing van het ECSR moet naar het oordeel van de rechtbank worden gekenmerkt als een gezaghebbende uitspraak, inhoudende de interpretatie van algemeen geformuleerde verdragsbepalingen in een concrete situatie. Het ECSR overweegt in voormelde beslissing dat de personen die betrokken zijn bij de klacht het risico lopen op onherstelbare schade aan hun leven en menselijke waardigheid op het moment dat zij uitgesloten worden van toegang tot onderdak, voedsel en kleding. Als het om deze basale levensbehoeften gaat en de menselijke waardigheid in het geding is, zijn de daarmee samenhangende rechten volgens het ECSR universeel en afdwingbaar voor alle personen ongeacht hun (vreemdelingenrechtelijke) status. Verder overweegt het ECSR dat het voorkomen van aanzuigende werking weliswaar een legitiem doel is, maar dat dit een onvoldoende rechtvaardiging vormt om mensen basale levensbehoeften te onthouden.

10. De rechtbank is thans, mede gelet op het bepaalde in artikelen 13 en 31 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) en in het licht van het standpunt van het ECSR, van oordeel dat het verstoken zijn van toegang tot (enig) onderdak, eten en kleding voor vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel het respect voor de menselijke waardigheid zodanig raakt dat dit leidt tot een situatie waarin het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op privéleven van een persoon onmogelijk wordt gemaakt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het EHRM – zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5 is overwogen – meermalen heeft geoordeeld dat hij het respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als the ‘very essence’ van het EVRM aanmerkt. Daarom geeft de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang naar het oordeel van de rechtbank geen blijk van een ‘fair balance’ tussen het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een consequente en restrictieve immigratiepolitiek enerzijds en het belang van de illegale vreemdeling bij het recht op een menswaardig bestaan en privéleven als beschermd door artikel 8 van het EVRM. Daarbij weegt de rechtbank mee dat er andere mogelijkheden zijn voor de Staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en dat de aanzuigende werking van het verlenen van opvang niet is onderbouwd.

11. Eiser kan op grond van het ontbreken van een verblijfsrecht in Nederland niet zelfstandig in zijn levensonderhoud voorzien en heeft in beginsel evenmin aanspraak op bestaande sociale voorzieningen. Aannemelijk is derhalve dat eiser onder de door het ECSR bedoelde hulpbehoevende groep te scharen is. Gelet hierop komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat er een positieve verplichting op de Staat rust om eiser toegang tot onderdak, eten en kleding te verstrekken.

Samenvattend is de rechtbank dus mèt het ECSR van mening dat het voorbehoud, dat de sociale rechten uit het ESH alleen van toepassing zijn op legaal verblijvenden en niet op vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel, niet geldt als de menselijke waardigheid in het gedrang komt door het ontbreken van basale voorzieningen. Ook de andere argumenten van de overheid om geen voorzieningen te willen verstrekken, nl. als onderdeel van een restrictief toelatingsbeleid en om vermeende aanzuigende werking te voorkomen, worden door de Rechtbank Amsterdam van tafel geveegd.

Raad van State
De Raad van State zou zich op 11 mei jl. uitspreken over een zaak van dakloze vreemdelingen, die niet bij een gemeente maar bij de staatssecretaris om opvang hadden gevraagd. Deze is echter alleen bereid opvang (in een Vrijheidsbeperkende Locatie) te bieden als betrokkenen mee willen werken aan terugkeer. Volgens de uitspraak van het ECSR mag zo’n voorwaarde juist niet worden gesteld: iedereen heeft recht op de basale voorzieningen. Op voorhand had het kabinet in het kader van het moeizaam bereikte ‘bed-bad-brood akkoord’ al groot belang toegekend aan het ‘richtinggevend’ oordeel van de Raad van State. Advocaat mr Pim Fischer trok echter op het laatste moment de zaak in, omdat zijn cliënten dankzij de hierboven besproken uitspraak van de Rechtbank Amsterdam al voorzieningen hebben gekregen. Bovendien is niet de Raad van State maar de Centrale Raad van Beroep de hoogste rechter op het gebied van sociaal recht (zoals de WMO) die een ‘richtinggevend’ oordeel moet vellen. Het wachten is dus nu op een uitspraak in de bodemprocedure van de zaak, waarin de CRvB op 17 december 2014 een voorlopige voorziening trof.


Meer informatie:
De uitspraak van de meervoudige kamer van de Rechtbank Amsterdam d.d. 8 mei 2015 met zaaknummer AWB 14-5856 (download pdf-bestand, 10 pag's)
 
Lees ook: 
30-04-15  Bed-bad-brood discussie: Haagse wenselijkheid vs lokale realiteit
16-04-15  Resolutie Comité van Ministers bekendgemaakt
17-12-14  Uitspraak CRvB verplicht centrumgemeenten bed, bad en brood te bieden
10-11-14  Nederland schendt basisrecht op voedsel, kleding en onderdak
15-11-13  'Recht op leven en menselijke waardigheid is onvoorwaardelijk'
 
Deel