• Gemeentehuis2-thumb
    INLIA - partner van gemeenten
  • College_rvdm_vz_mw_l_koster-thumb
    "Bed-bad-brood is de absolute ondergrens; daar onderhandel je niet over" (mr Laurien Koster, voorz College voor de Rechten van de Mens)
  • Zanen_jan_van_bm_utrecht-thumb
    "Openbare orde, daar ben ìk van en niet de staat" (burgemeester Jan van Zanen van Utrecht, 26/9/14)
  • Jos_wienen_bm_katwijk-thumb
    "We moeten voorkomen dat mensen creperen" (Jos Wienen, burgemeester van Haarlem en voorz Platform Asiel v/d VNG)
  • Victor_everhardt_wethouder_gem_utrecht-thumb
    "Dit is geen bestuurlijke ongehoorzaamheid maar onze eigen verantwoordelijkheid" (wethouder Victor Everhardt, Utrecht)
  • Tri_uit_wageningen_kinderpardonpas-thumb
    "Ze zeggen dat het terugsturen is, terwijl het eigenlijk wégsturen is" (Tri uit Wageningen, 11 jaar, afgewezen voor het kinderpardon)
Europees Hof: Bed-Bad-Brood voorkomt extreme armoede (03-08-16) 



Echr_logo_weegschaal_blauw_en_sterren-thumb
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft op 28 juli geoordeeld dat het voorzieningenstelsel van de Nederlandse overheid voor irreguliere migranten, waarmee expliciet ook de gemeentelijke Bed-Bad-Brood-opvang bedoeld wordt, tezamen een adequaat systeem vormt om te voorkomen dat zij in een situatie van extreme armoede terechtkomen. 


Het Hof heeft bepaald dat de Nederlandse overheid (waaronder ook gemeenten begrepen worden) art. 3 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) niet heeft geschonden ten aanzien van een Ethiopische vluchteling die enige tijd in de Vluchtgarage in Amsterdam verbleef. 
 
Het EHRM oordeelt dat men aan het EVRM op zich geen recht op sociale voorzieningen voor ongedocumenteerden kan ontlenen, maar dat artikel 3 EVRM de Nederlandse overheid (waarmee ook gemeenten bedoeld worden) wel verplicht om actie te ondernemen in situaties waarin vreemdelingen zich in een situatie van extreme armoede bevinden. Letterlijk zegt het EHRM in overweging 59 van de uitspraak:
“Article 3 requires states to take action in situations of the most extreme poverty -also when it concerns irregular migrants-”

Het EHRM deed uitspraak in de zaak van een Ethiopische vluchteling die eind 2013 in de Vluchtgarage in Amsterdam verbleef en om opvang vroeg bij de gemeente Amsterdam. Naar aanleiding van de uitspraak van het Europese Comité voor Sociale Rechten van 1 juli 2014 en de daarop volgende uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 december 2014 besloot de gemeente Amsterdam ook betrokkene nachtopvang, een avondmaaltijd en een ontbijt aan te bieden. Betrokkene maakte echter niet gebruik van deze mogelijkheid omdat hij ook overdag een opvangplek wilde. Daarnaast verzocht betrokkene de Staatssecretaris om opvang in een asielzoekerscentrum. De Staatssecretaris wees dit verzoek af en wees betrokkene op de mogelijkheid om om opvang te verzoeken in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) in Ter Apel. Betrokkene zou echter alleen in de VBL terecht kunnen als hij zou meewerken aan zijn vertrek, wat betrokkene niet wilde omdat hij gevaar liep in Ethiopië. Op 30 maart 2015 werd ook door de IND erkend dat hij gevaar liep in Ethiopië en kreeg hij alsnog een asielstatus. Dit asielverzoek was op 11 februari 2015 ingediend en sinds die tijd had hij weer recht op opvang in een gewoon asielzoekerscentrum. 

Het EHRM oordeelt dat het onthouden van opvang aan betrokkene in de periode voordat de Bed-Bad-Broodregeling tot stand kwam (de periode voor de uitspraak van de CRvB van 17 december 2014) toen hij nog was aangewezen op verblijf in de Vluchtgarage (waar hij puur afhankelijk was van liefdadigheid), niet in strijd is met artikel 3 EVRM omdat het opzetten van Bed-Bad-Brood voorzieningen in verschillende gemeenten nu eenmaal tijd kost. Deze laatste redenering van het EHRM is toch wel bijzonder, want het niet verstrekken van Bed-Bad-Brood-opvang aan betrokkene door de gemeente Amsterdam in de periode voor 17 december 2014 had geen logistieke reden, maar was het gevolg van het beleid van de gemeente Amsterdam om geen noodopvang te verstrekken in dergelijke situaties. Het EHRM was hier blijkbaar niet van op de hoogte.

Op grond van bovenstaande feiten oordeelde het EHRM dat de Nederlandse overheid niet in strijd heeft gehandeld met art. 3 EVRM door betrokkene opvang te onthouden in de periode van eind 2013 tot februari 2015. Het EHRM geeft dus wel aan dat de Nederlandse overheid verplicht is om actie te ondernemen in situaties van extreme armoede, maar vindt dat de overheid in de praktijk adequate actie heeft ondernomen door o.a. Bed-Bad-Brood - opvangvoorzieningen in centrumgemeenten in Nederland te realiseren. Letterlijk zegt het EHRM in overweging 59:
“In addition, the Netherlands have most recently set up a special scheme providing basic needs for irregular migrants living in their territory in an irregular manner (see paragraph 5 above).”

In paragraaf 5 staat letterlijk:
“In response to this provisional measure [opm. red: van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2014], the Association of the Netherlands Municipalities (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) – in agreement with the Deputy Minister of Security and Justice (Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) – set up a scheme to offer basic provisions to irregular migrants, the so called Bed-Bath and Bread Scheme (bed-bad-broodregeling). That scheme entailed that the central municipalities would provide basic accommodation to irregular migrants including night shelter with shower facilities, breakfast and dinner, starting from 17 December 2014. It was announced from the outset that this scheme would be temporary, awaiting the adoption of a resolution by the Committee of Ministers of the Council of Europe concerning the ECSR’s two decisions, pursuant to Article 9 of the Additional Protocol to the European Charter Providing for a System of Collective Complaints. Although these resolutions were adopted by the Committee of Ministers on 15 April 2015 (see paragraph 38 below), the scheme has been prolonged and is currently still in place.” 

Het EHRM vindt dus dat Bed-Bad-Brood-voorzieningen voorkomen dat irreguliere migranten in een situatie van extreme armoede terecht komen.

Gemeenten die nu Bed-Bad-Brood-opvang - en daarvoor al noodopvang - aan dakloze vreemdelingen verstrekken zijn blij dat het EHRM nu duidelijk heeft aangegeven dat artikel 3 EVRM de Staat (waar de gemeenten een ondeelbaar geheel mee vormen) verplicht om, ook als het uitgeprocedeerde vreemdelingen betreft, actie te ondernemen in situaties van extreme armoede. Dit is juist wat gemeenten met Bed-Bad-Brood-opvang - en eerder al met noodopvang - beogen te doen. Het gaat hierbij om een voor Nederland bindende uitspraak.

Centrumgemeenten die geen Bed-Bad-Brood verstrekken aan dakloze vreemdelingen die zich in een situatie van extreme armoede bevinden (en waarvoor geen voorliggende voorziening aanwezig is) handelen volgens deze uitspraak
mogelijk in strijd met artikel 3 EVRM. Centrumgemeenten zullen dus moeten beoordelen of de betreffende vreemdeling in het individuele geval zo kwetsbaar is dat hij/zij in een situatie van extreme armoede terecht zal komen dan wel zich al in zo’n situatie bevindt. Het Hof definieert niet precies wat extreme armoede is, maar geeft wel aan dat Bed-Bad-Brood-opvang hiervoor een adequate oplossing biedt.

Op grond van deze uitspraak vertrouwt Stichting INLIA er op dat de financiële tegemoetkoming voor de Bed-Bad-Brood-opvang van het Rijk aan Centrumgemeenten gecontinueerd zal worden.



Meer informatie:

De uitspraak van het EHRM van 28 juli 2016 in de zaak Hunde tegen Nederland, zaaknr 17931/16 (Engelstalig pdf-bestand, 18 pag's)

Lees ook:
30-06-16  Raad van State: gemeente dient conform eigen BBB-beleid te handelen
18-05-16  Europees Hof oordeelt over 'bed-bad-brood'
14-04-16  Niet iedereen uit de BBB-opvang krijgt toegang tot de VBL



Deel

Plaats reactie

Naam
E-mail
Bericht
Lees de spelregels