• Gemeentehuis2-thumb
    INLIA - partner van gemeenten
  • Schouw_gerard_tk-lid_d66-thumb
    "De staatssecretaris stuurt aan op burgemeestersbonje" (Tweede Kamerlid Gerard Schouw, 30/9/14)
  • Zanen_jan_van_bm_utrecht-thumb
    "Openbare orde, daar ben ìk van en niet de staat" (burgemeester Jan van Zanen van Utrecht, 26/9/14)
  • Jos_wienen_bm_katwijk-thumb
    "We moeten voorkomen dat mensen creperen" (Jos Wienen, burgemeester van Katwijk en voorz Platform Asiel v/d VNG)
  • Victor_everhardt_wethouder_gem_utrecht-thumb
    "Dit is geen bestuurlijke ongehoorzaamheid maar onze eigen verantwoordelijkheid" (wethouder Victor Everhardt, Utrecht)
  • Tri_uit_wageningen_kinderpardonpas-thumb
    "Ze zeggen dat het terugsturen is, terwijl het eigenlijk wégsturen is" (Tri uit Wageningen, 11 jaar, afgewezen voor het kinderpardon)
Dossier Bed-Bad-Brood 


Een chronologisch overzicht



Dit is een overzicht van alle gebeurtenissen inzake de 'bed-bad-brood' opvang, waarover de afgelopen jaren op deze site artikelen zijn gepubliceerd. Door op de titel van de alinea te klikken gaat u naar het oorspronkelijke bericht. Door op het jaartal hieronder te klikken verspringt de cursor naar het begin van de berichten uit dat jaar.

2014
2015
2016
2017



17 jan 2013 –Protestantse Kerk klaagt Nederlandse Staat aan bij Raad van Europa
De Protestantse Kerk in Nederland (PKN) dient via haar koepelorganisatie Conference of European Churches een klacht in tegen de Nederlandse Staat bij de Raad van Europa. De klacht richt zich op het onthouden van het recht op voedsel, kleding en onderdak aan ongedocumenteerden, in strijd met het Europees Sociaal Handvest. Het recht op voedsel, kleding en onderdak is nauw verbonden met het recht op leven en is cruciaal voor het respect voor ieders menselijke waardigheid. PKN-scriba dr Arjan Plaisier: "Het is bijbels om de menselijke waardigheid te beschermen. Ieder mens is tenslotte geschapen naar Gods beeld. Dat geldt nadrukkelijk ook voor mensen die op straat gezet worden. De kerk kan niet anders dan voor hun waardigheid opkomen.”

Het Europees Comité voor Sociale Rechten, bestaande uit deskundigen uit de bij de Raad van Europa aangesloten landen met de taak toe te zien op de naleving van het Europees Sociaal Handvest door de lidstaten, verklaart de klacht van de PKN ontvankelijk. Dat betekent dat het Comité de zaak nu inhoudelijk zal gaan behandelen. Een oordeel van dit comité van onafhankelijke deskundigen is bindend, zo is vastgelegd in een aanvullend protocol dat het collectief klachtrecht regelt en dat in 2006 ook door Nederland is ondertekend.

Voor mensen die buiten alle voorzieningen vallen dreigt ernstige, onherstelbare schade aan hun leven en lichamelijke integriteit als zij uitgesloten worden van opvang, voedsel en kleding. Het eindoordeel van het ECSR kan echter nog maanden op zich laten wachten. Daarom heeft de PKN ook om een ordemaatregel (een soort ‘voorlopige voorziening’) gevraagd en die is op 25 oktober door het comité toegewezen (‘decision on immediate measures’).  In deze ‘tussenuitspraak’  wordt de Nederlandse Staat opgedragen "alle mogelijke maatregelen te nemen met het oog op het vermijden van ernstige, onherstelbare schade aan de lichamelijke integriteit van personen die het risico lopen verstoken te blijven van onderdak, voeding en kleding". 
Het comité spreekt daarbij expliciet van "een gecoördineerde aanpak op nationaal en gemeentelijk niveau" om er voor te zorgen dat er in de basisbehoeften wordt voorzien. Alle betrokken publieke instellingen dienen van deze beslissing op de hoogte te worden gebracht. Verwacht wordt dat Nederlandse rechters deze tussenuitspraak in hun beslissingen zullen laten meewegen.

Het recht op leven en menselijke waardigheid is onvoorwaardelijk; het onthouden van basisvoorzieningen als onderdak, eten en kleding, mag nooit worden gebruikt als drukmiddel om iemand te dwingen een land te verlaten. Aldus betoogt de PKN in haar reactie aan het ECSR op het standpunt van de Nederlandse overheid d.d. 27 sep 2013. De overheid wijst herhaaldelijk op de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling: zij die meewerken aan hun vertrek krijgen opvang en ondersteuning. Bovendien stelt de Nederlandse overheid zich op het standpunt dat de bepalingen van het Handvest alleen van toepassing zijn op rechtmatig verblijvenden.
De PKN verwijst naar een eerdere klacht in 2008 van Defence for Children International bij het ECSR, die er voor heeft gezorgd dat er een einde kwam aan het op straat zetten van (gezinnen met) kinderen. Ongedocumenteerde vreemdelingen die zonder basisvoorzieningen op straat worden gezet en aan hun lot worden overgelaten zijn net als kinderen evenzeer kwetsbaar en hebben dus ook een minimale vorm van bescherming nodig, aldus de PKN.

2014

De Centrale Raad van Beroep spreekt uit dat het Europees Sociaal Handvest niet is geschonden in een zaak van een asielzoekster die op wisselende adressen bij kennissen opvang heeft. Daarom verklaart de CRvB de decision on immediate measures van het ECSR niet van toepassing. 

De Rechtbank Amsterdam erkent het “recht op menswaardig bestaan waarvoor voedsel, kleding en onderdak een vereiste zijn”, zich daarbij baserend op de ECSR uitspraak van 25/10/13. De gemeente kan niet worden gedwongen een bijstandsuitkering te verstrekken, maar de rechtbank spreekt wel van een “positieve verplichting voor de Staat der Nederlanden” om in voedsel, kleding en onderdak te voorzien.

16 mei 2014 – uitspraak Rechtbank Den Haag
De Rechtbank Den Haag sluit zich op 16 mei hierbij aan en voegt toe: “Naar het oordeel van de rechtbank richt een immediate measure zich evengoed tot lokale autoriteiten”.

Het College beveelt in de op deze dag gepubliceerde ‘Jaarrapportage 2013’ aan dat er een basale voorziening voor vreemdelingen zonder verblijfsvergunning die in nood verkeren zou moeten komen. Het College verwijst hierbij ook naar de tussenuitspraak van het Europees Comité voor Sociale Rechten, die Nederland in oktober 2013 al opdroeg om onmiddellijk maatregelen te treffen voor de opvang van kwetsbare vreemdelingen om te voorkomen dat zij nog verder beschadigd raken. De staatssecretaris heeft echter niets gedaan met deze tussenuitspraak.

De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag beslist dat een dakloze vreemdeling recht heeft op opvang door de gemeente Den Haag in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). De gemeente stelde zich op het standpunt dat het rijk in opvang zou moeten voorzien, in weerwil van de tussenuitspraak van het ECSR, die ook de mede-verantwoordelijkheid van gemeentelijke overheden benoemde. De rechtbank vindt het aanbod van de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) geen voorliggende voorziening.

Uit de (opmerkelijk snelle) beantwoording van Kamervragen over de definitieve ECSR-uitspraak, die op 9 juli vertrouwelijk aan de procespartijen (d.w.z. de Nederlandse Staat en de PKN) en aan het Comité van Ministers is toegezonden, blijkt dat de verantwoordelijke staatssecretaris voorlopig niet van plan is maatregelen te treffen. De reden dat de uitspraak pas over 4 maanden openbaar zal worden gemaakt is nu juist dat de aangeklaagde partij dan de gelegenheid heeft beleidsaanpassingen te doen voordat het Comité van Ministers een resolutie aanneemt. Staatssecretaris Teeven wil echter afwachten tot het Comité van Ministers zich over de bevindingen van het ECSR heeft uitgesproken. Dat is dezelfde struisvogel-politiek die de Nederlandse regering ook hanteerde toen het ECSR in oktober 2009 besliste dat minderjarige kinderen niet op straat mochten worden gezet.
 
De definitieve uitspraak van het ECSR, die al op 9 juli 2014 ter kennis van de Nederlandse regering is gebracht, wordt na vier maanden openbaar gemaakt: de klacht van de PKN is gegrond verklaard. Nederland schendt enkele basisrechten van asielzoekers en ongedocumenteerde migranten door hen uit te sluiten van basisvoorzieningen zoals voeding, kleding en onderdak. Dat tast de menselijke waardigheid aan en daarom mag de werking van het Handvest niet worden beperkt tot alleen mensen met verblijfsrecht, hoewel niet alle rechten uit het Handvest van toepassing zijn op ongedocumenteerden.
 
Rekening houdend met de recente uitspraak van het ECSR beslist de Voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep dat de gemeente Amsterdam per direct nachtopvang, douche, ontbijt en een avondmaaltijd moet bieden aan een aantal dakloze vreemdelingen. Centrumgemeenten worden, op grond van de ‘gezaghebbende uitspraak’ van het ECSR door de CRvB verplicht ‘bed-bad-brood’ voorzieningen te bieden, in ieder geval tot twee maanden nadat het Comité van Ministers van de Raad van Europa een standpunt zal hebben bepaald over de uitspraak van het ECSR. Meerdere gemeenten besluiten daar niet op te wachten en richten voor het invallen van de winter noodopvang-voorzieningen in; de staatssecretaris is echter niet bereid hiervoor te betalen.
 
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie moet 'bed-bad-brood' bieden aan een vreemdeling die daarom bij de staatssecretaris (en dus niet bij een gemeente) heeft verzocht. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van het ECSR van 10 nov en de CRvB van 17 dec en naar art 8 EVRM, op grond waarvan “een positieve verplichting op de Staat rust om eiser toegang tot onderdak, eten en kleding te verstrekken”. Een aanbod voor opvang in de VBL is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om aan die positieve verplichting te voldoen. Bovendien wijst de rechtbank er op dat “de beslissing van het ECSR in zoverre bindend is dat het Comité van Ministers dient uit te gaan van het juridisch oordeel van het ECSR”.

2015

De VNG maakt de uitkomst bekend van overleg met staatssecretaris Teeven: omdat uitgeprocedeerde asielzoekers vallen onder verantwoordelijkheid van het rijk zullen centrumgemeenten die op grond van de uitspraak van de CRvB van 17 dec 2014 sobere opvang bieden aan dakloze asielzoekers een financiële tegemoetkoming ontvangen. Opmerkelijk is wel dat de staatssecretaris de hoogte daarvan pas wil vaststellen na de standpuntbepaling door het Comité van Ministers van de Raad van Europa.
 
Uit uitspraken van de Rechtbanken van Breda (16/1/15) en Arnhem (22/1/15) blijkt dat sobere BBB-opvang niet altijd afdoende is; rekening houdend met specifieke (medische of psychiatrische) omstandigheden moet soms bijvoorbeeld ook een eigen kamer met douchegelegenheid beschikbaar worden gesteld.
 
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam verbiedt in kort geding de ontruiming van de zgn. Vluchtgarage. De rechtbank vindt het inhumaan de groep van ongeveer 125 asielzoekers die daar verblijft onder de huidige winterse omstandigheden op straat te zetten. Ontruiming wordt tot 1 mei 2015 verboden; de civiele rechter vindt dus ook dat alleen nachtopvang onvoldoende is voor deze betrokkenen, die zich in een uitzichtloze situatie bevinden.
 
Omdat “INLIA beschikt over deskundigheid op het gebied van vreemdelingenrecht en ruime ervaring heeft in de omgang met afgewezen asielzoekers” heeft INLIA van de gemeente Groningen de opdracht gekregen om “op zo kort mogelijke termijn een sobere opvangvoorziening in te richten voor uitgeprocedeerde asielzoekers”. 
Om de eerste groep mensen die zich meldde meteen onderdak te kunnen bieden is eerst tijdelijke extra woonruimte ingehuurd. Medio maart 2015 kon de vml. noodopvanglocatie aan de Helsinkistraat (het vroegere Formule 1 Hotel) worden geopend. Inmiddels verblijven daar meer dan 70 gasten, sommigen afkomstig uit eerdere noodopvanglocaties, anderen nadat ze op straat waren gezet vanuit Ter Apel of een andere rijksopvanglocatie van het COA.
Zij krijgen niet alleen nachtopvang, maar mogen ook overdag gebruik maken van faciliteiten en ondersteuning om een duurzaam toekomstperspectief te ontwikkelen in het land van herkomst, in Nederland of in een derde land. Zoals al vaker gemeld: ongeveer een derde van de vreemdelingen in de bed-bad-brood voorzieningen verblijft legaal in Nederland op grond van nog lopende procedures. Zij zijn dus niet uitgeprocedeerd en hebben dus ook geen vertrekplicht; de rijksoverheid heeft ze echter wel zonder enige voorziening op straat gezet.

Het Hof vernietigt de uitspraak in kort geding d.d. 20 februari 2015 van de Voorzieningenrechter van Rechtbank Amsterdam. Voor het Hof telt het belang van de gemeente Amsterdam (die een grasveld wil aanleggen) zwaarder dan dat van de dakloze asielzoekers, voor wie volgens het Hof de minimale Amsterdamse bed-bad-brood voorziening (alleen nachtopvang) als toereikend geldt. De ontruiming van de 'Vluchtgarage' mag dus doorgaan.

Bekendmaking van de langverwachte resolutie van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aangaande de uitspraak van het ECSR die op 10 nov 2014 is gepubliceerd; de vage formulering van deze politieke aanbeveling doet niets af aan de geldigheid van de juridisch bindende uitspraak van het ECSR.
Het verschijnen van de resolutie van het Comité van Ministers leidt tot koortsachtig overleg in politiek Den Haag; de coalitie lijkt er door overvallen, wat wel verbazingwekkend mag heten, aangezien de regering al sinds juli 2014 op de hoogte was van de definitieve, niet voor beroep vatbare uitspraak van het ECSR. De crisis-sfeer is vooral het gevolg van het steeds maar uitstellen van besluitvorming over de consequenties die het oordeel van het ECSR zou moeten hebben voor het Nederlandse beleid.
 
Het kabinet Rutte II was bijna gevallen – de coalitie bereikt na een week topberaad met nachtelijke vergaderingen een zwaar bekritiseerd compromis over 'Bed-Bad-Brood'. Het voorstel behelst tijdelijke opvang in een soort ‘pre-VBL’s’ in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Eindhoven, daarna doorzending naar VBL Ter Apel. Wie niet meewerkt gaat de straat op en andere gemeenten die blijven opvangen zullen financieel worden gekort. 
Haagse wenselijkheid tegenover de praktijk in de gemeenten - welk probleem wordt hiermee eigenlijk opgelost? Het akkoord schendt de mensenrechten (aldus VN-rapporteur Alston) en is in strijd met de ECSR-uitspraak.

24 april 2015 - BBB-voorziening in Groningen blijft open
Reactie van wethouder Ton Schroor van Groningen op het Haagse akkoord: “een bizarre deal” (…) “Na ruim een week vergaderen is een Haags probleem vakkundig opgelost en over de schutting gegooid. Gemeenten mogen zich er mee redden”. Hij weigert om de zeventig bewoners van het Formule 1 Hotel op straat te zetten of met een treinkaartje enkele reis naar Den Haag te sturen: “Het slepen met mensen vinden we moreel verwerpelijk”. 
Uit dankbaarheid voor de steun van de gemeente leggen gasten uit de Groningse bed-bad-brood voorziening op 24 april tijdens een ‘lawaai-demonstratie’ op de Grote Markt witte rozen op de stoep van het stadhuis.
 
De Rechtbank Amsterdam bevestigt in een belangwekkende uitspraak op 8 mei 2015 het onvoorwaardelijke recht op bed-bad-brood voor iedereen die geen aanspraak kan maken op andere, voorliggende voorzieningen. De rechtbank baseert zich daarbij op de beslissing van het ECSR van 1 juli 2014 (gepubliceerd op 10 nov 2014) en op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat het recht op een menswaardig bestaan en privéleven beschermt.
De zaak was aangespannen tegen de Gemeente Amsterdam door bewoners van de voormalige 'Vluchthaven', aan wie de gemeente had geweigerd voorzieningen in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) te verstrekken. De rechtbank vernietigt het besluit van de gemeente en bepaalt dat betrokkenen recht hebben op "maatschappelijke opvang overeenkomstig de bed-bad-brood voorziening". 
Opmerkelijk: de rechtbank besteedt in het geheel geen aandacht aan de politieke resolutie van het Comité van Ministers van de Raad van Europa d.d. 15 april 2015, waaraan door de staatssecretaris van Veiligheid & Justitie en de coalitiepartners zo veel belang was gehecht.

Het VN-Comité inzake de Uitbanning van Rassendiscriminatie heeft de Nederlandse overheid in een recent rapport opgeroepen dakloze ongedocumenteerde vreemdelingen niet zonder basale levensbehoeften zoals voedsel en onderdak te laten. “Ensure that undocumented migrants are provided with food and shelter, as appropriate, in all circumstances prior to deportation, and that they are granted the right to obtain healthcare in all constituent parts of the State party.” (paragraaf 22-c). 
Speciale aandacht wordt gevraagd voor kwetsbare personen (“migrants in especially vulnerable situations”, par 22-b).
 
Op 8 sept en 1 okt 2015 oordeelden respectievelijk de Rechtbank Haarlem en de Rechtbank Noord-Nederland dat gemeenten ‘bed-bad-brood’ moeten blijven bieden aan dakloze vreemdelingen; het verweer van de gemeente dat betrokkene mogelijk terecht zou kunnen in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) in Ter Apel en er daarom sprake is van een ‘voorliggende voorziening’ is door de rechtbanken verworpen.
De rechtbanken hebben uitgesproken dat het VBL geen voorliggende voorziening is, omdat aan de opvang in het VBL voorwaarden verbonden zijn, zoals dat men moet meewerken aan het vertrek. Hiernaast gelden er vrijheidsbeperkende maatregelen ten aanzien van deze opvang. In de uitspraak van het ECSR (gepubliceerd op 10 nov 2014) staat echter expliciet dat men deze voorwaarden niet aan een ‘bed-bad-brood’ -voorziening mag verbinden. De rechtbanken volgen hierin dus het ECSR. Het wachten is nu nog altijd op de uitspraak in de bodemprocedure van de zaak waarin op 17 december 2014 de voorlopige voorzieningen door de CRvB werden toegewezen.
 
De Raad van State bepaalde dat de Nederlandse staat voorwaarden mag verbinden aan de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers. Zo moeten ze vrijheidsbeperkingen aanvaarden en meewerken aan vertrek; dan kunnen ze terecht in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL). Wie niet wil meewerken krijgt geen opvang. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep sloot hierbij aan. Volgens INLIA zijn we hiermee “terug bij af”.
De Raad van State noemt het oordeel van het ECSR “weliswaar gezaghebbend, maar niet bindend”. De Centrale Raad van Beroep ging eerder (voorzieningenrechter, 17 dec 2014) wèl mee met het oordeel van het Europees Comité, maar heeft nu een draai gemaakt. Volgens de Raad is er nu geen noodzaak meer gemeenten te verplichten ‘bed-bad-brood’-opvang te bieden. Dat is opvallend, want de VBL bestond ook al ten tijde van de uitspraak van 17 dec 2014, toen de CRvB nog oordeelde dat gemeenten onvoorwaardelijk bed, bad en brood dienden te verstrekken aan dakloze vreemdelingen. Opvallend is ook dat zowel de Raad van State als de Centrale Raad van Beroep oordelen van het ECSR als ‘gezaghebbend’ betitelen, maar vervolgens de belangrijkste overweging van dit Comité volkomen negeren.
De uitspraken van 26 november 2015 hebben uitsluitend betrekking op mensen die uitgeprocedeerd zijn. Ze zeggen dus niets over mensen wiens procedure nog loopt. Dat is nog een aanzienlijke groep: zo’n dertig procent van de mensen die op straat staan of in de huidige ‘bed-bad-brood’-opvang zitten. Zij kunnen door deze uitspraken eigenlijk nergens meer terecht. 

Een ‘papieren reactie op een weerbarstige praktijk’; geen ‘juridische werkelijkheid’ maar ‘pragmatische aanpak’ – Kamerleden en wethouders reageren overwegend teleurgesteld op de uitspraken van RvS en CRvB; gemeenten laten weten door te zullen gaan met opvang bieden.
 
Om vast te kunnen stellen of de VBL inderdaad een goed alternatief voor de BBB-opvang is onderzoekt INLIA de uitstroomcijfers vanuit de VBL naar landen van herkomst. Uit de middels een WOB-verzoek bij de DT&V opgevraagde informatie blijkt echter dat helemaal niet wordt geregistreerd hoeveel van de 440 in 2014 in de VBL opgenomen vreemdelingen naar hun land van herkomst zijn vertrokken; wel wordt duidelijk dat slechts een klein deel daadwerkelijk terugkeert. Een groot deel van de vreemdelingen belandt vanuit de VBL alsnog op straat. Dat is wel opmerkelijk te noemen, omdat zij allemaal voor toelating in de VBL zijn gescreend op hun bereidheid mee te willen werken aan hun vertrek.
De Centrale Raad van Beroep heeft opnieuw uitgesproken dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een 'voldoende voorziening' biedt voor dakloze vreemdelingen die op grond van de WMO om opvang of leefgeld van een gemeente hebben gevraagd. Om in aanmerking te komen voor de VBL dient men echter mee te werken aan vertrek. Deze voorwaarde voor opvang is evident in strijd met de uitspraak van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) van 10 november 2014. Dit gezaghebbende orgaan heeft immers uitgesproken dat de voorwaarde van meewerken aan terugkeer niet verbonden mag worden aan de opvang van vreemdelingen. 

Omdat de hoogste rechters hebben bepaald dat de VBL een voorliggende voorziening is, heeft INLIA met een WOB-verzoek de criteria voor toelating tot de VBL opgevraagd bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Uit de beantwoording blijkt dat meewerken aan vertrek ‘essentieel’ is, dat het vertrek binnen 12 weken dient te worden gerealiseerd en dat alleen onrechtmatig verblijvenden terecht kunnen in de VBL. Wie bijvoorbeeld wacht op een beslissing op een aanvraag ingevolge artikel 64 VW (uitstel van vertrek om medische redenen) kan er niet terecht. Dit ontkracht de stelling van de CRvB dat het opvangbeleid ‘sluitend’ is.
 
De Raad van State heeft in twee uitspraken op 29 juni 2016 aangegeven dat gemeenten geen specifieke bevoegdheid hebben om Bed-Bad-Brood – opvang te verstrekken. Volgens de Raad van State biedt de staatssecretaris al opvang aan deze doelgroep in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) en zijn gemeenten daarom niet verplicht Bed-Bad-Brood – opvang te verstrekken, omschreven als “buitenwettelijk begunstigend beleid”.
Een asielzoeker kan dus wel procederen over Bed-Bad-Brood – opvang tegen een (centrum)gemeente, maar in een dergelijke procedure wordt alleen getoetst of de opvang in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid t.a.v. Bed-Bad-Brood - opvang. Indien een (centrum)gemeente echter niets doet aan Bed-Bad-Brood - opvang, dan is het niet verstrekken van BBB–voorzieningen aan bepaalde vreemdelingen, dus ook in overeenstemming met het gemeentelijke beleid op dit punt.  
Voor het overige zijn de twee uitspraken van de Raad van State het logische gevolg van de eerdere gezamenlijke uitspraak van de RvS en de Centrale Raad van Beroep van 26 november 2015, waarin de VBL (waarvoor als voorwaarde voor de opvang geldt dat asielzoekers moeten meewerken aan hun vertrek en dit binnen drie maanden gerealiseerd zou moeten kunnen worden) werd aangemerkt als voorliggende voorziening voor de Bed-Bad-Brood - opvang. Volgens het persbericht van de RvS staat deze uitspraak van 29 juni 2016 over gemeentelijke opvang echter los van die van 26 november 2015 over rijksopvang.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft op 28 juli in de zaak Hunde geoordeeld dat het voorzieningenstelsel van de Nederlandse overheid voor irreguliere migranten, waarmee expliciet ook de gemeentelijke Bed-Bad-Brood-opvang bedoeld wordt, tezamen een adequaat systeem vormt om te voorkomen dat zij in een situatie van extreme armoede terechtkomen. 
De overheid (i.c. de gemeente) handelt dus in overeenstemming met de mensenrechten door BBB-voorzieningen te bieden, en de rijksoverheid zal zich schuldig maken aan schending van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens als het de gemeenten verbiedt BBB te bieden (en zelf ook geen voorzieningen zonder voorwaarden vooraf biedt).
 
De onderhandelingen tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Ministerie van Veiligheid &Justitie om te komen tot een bestuursakkoord over de BBB zijn door staatssecretaris Dijkhoff afgebroken. Hij besluit ook per direct de financiering door het Rijk van de gemeentelijke BBB-voorzieningen stop te zetten.
Reactie van wethouder Schroor van Groningen: "Als gezamenlijke gemeenten dachten wij dat een akkoord binnen handbereik leek, maar de deur wordt nu hard dichtgegooid door de staatssecretaris. Dat is zeer spijtig en onbegrijpelijk. (…) "Dit onderwerp mag en kan niet langer op de onderhandelingstafel blijven liggen", aldus Schroor. "We kunnen niet uit de voeten met een papieren werkelijkheid, we hebben een oplossing nodig die in de praktijk werkt. En die oplossing hebben we in Groningen. Bied de groep mensen die uit de vrijheidsbeperkende locatie worden gezet een sobere opvang en geef ze begeleiding op maat. Dat werkt!", zo zegt de wethouder. "Het is wat mij betreft geen discussie tussen politiek links en rechts. We moeten staan voor een humane oplossing", vervolgt Schroor. “In Groningen hoeft niemand onder een brug te slapen.” 
Ondanks het ontbreken van een akkoord gaat de gemeente Groningen wat de wethouder betreft door met de huidige ‘Bed-Bad-Brood’ - opvang in de stad, inclusief de recent aangekondigde capaciteitsuitbreiding.
Schroor: "De staatssecretaris kondigt maatregelen aan die onze succesvolle aanpak kunnen frustreren. Dat is onacceptabel. Ik kan me voorstellen dat we in gezamenlijkheid de komende maanden kijken, wellicht door een onafhankelijke commissie van wijze mensen, hoe we wel een oplossing kunnen vinden.”

2017

23 jan 2017 - Bed-Bad-Brood Boot in gebruik genomen
Halverwege januari 2017 is in Groningen, onder veel belangstelling van de media, een 'slaap-boot' in gebruik genomen voor de opvang van asielzoekers zonder rijksopvang. Door de gestage groei van het aantal mensen dat in de provincie Groningen uit de rijksopvang wordt gezet en een beroep doet op ‘bed-bad-brood’ was er al een hele tijd onvoldoende plek in de opvang in het voormalige Formule 1-hotel. Dat telt zo'n 100 bedden. Daarom heeft de gemeente Groningen opdracht gegeven voor nieuwbouw naast het hotel en voor de tijdelijke inzet van deze boot, die plaats biedt aan maximaal 112 personen. Daarmee kan alvast een einde komen aan decentrale opvang, verspreid over een groot aantal adressen van tijdelijke woningen en appartementen in de stad Groningen. Als de nieuwbouw bij het Formule 1-hotel gereed is zullen de gasten die nu op de boot zijn ondergebracht dus opnieuw verhuizen.